donderdag 30 maart 2017

Met de handen in het haar

Wacht u voor de wachtwoorden



Hellup … wat was mijn wachtwoord ook al weer.
Herkent u dit?

Ik verklap u een geheim. Ik kan geen wachtwoorden onthouden. Ik word stapelgek va n de pincodes en passeerwoorden. En ik ben niet de enige.

Toen we nog één pinpas hadden, was het gemakkelijk. Je gebruikte je geboortedatum of die van je dochter. Fout natuurlijk volgens de bank. Maar je moet toch iets?
Maar daarna kwamen de credit card en iPhone en de iPad en de simcode en mijnverzekering, mijnpensioenfonds, mijnelektriciteitsmaatschappij, mijn waterleiding, de bookingsite en de vliegtuigmaatschappijen, het filmhuis, de schouwburg, bibliotheek, de krantensite, de emails…  Om gek van te worden.

Drie velletjes
U mag het best weten: ik heb thuis drie A4tjes vol inlogcodes, passeerwoorden, pincodes. Al mijn kleinkinderen zijn al in verschillende variaties aan de beurt geweest, met geboortedata en al.  Je kunt immers niet elke keer hetzelfde passeerwoord gebruiken. Als dat eenmaal in verkeerde handen zou vallen, dan kunnen ze gelijk overal bij! Nee allemaal verschillede codes, die ik vervolgens allemaal vergeet.

Sta ik in een hotel in het buitenland – zonder de drie kladjes - en dan lukt het toch maar niet de pincode van de credit card uit mijn geheugen te  vissen. Sta ik met de mond vol tanden en een bijna lege beurs. Ja er schiet wel een getal in gedachten, maar dat is het telefoonnummer van mijn ouders toen ik een jaar of tien was. Dat zit er in geheid. Kom je niet ver mee in het buitenland. In het binnenland trouwens ook niet meer.

Honden
Van een collega vermoed ik dat hij de namen van zijn honden gebruikt als passeerwoorden :de levende en de dode. Sommige codes moet je regelmatig vernieuwen. Ik weet niet of hij daar steeds nieuwe honden voor gebruikt. Zelf heb ik een andere truc afgekeken. Ik gebruik in die gevallen mijn postcode  en tel er telkens één cijfer bij als ik een nieuwe moet invoeren. Ben benieuwd hoe snel ik op 0000 zal zitten.

DigiD
Terug naar Pensioenfonds PGB. Als u op de belangrijke site ‘mijnpgbpensioen.nl’ wilde inloggen, had u altijd uw registratienummer en een wachtwoord nodig. Misschien bent u zo handig om die vast te leggen in uw pc, maar als u dan onderweg bent met alleen uw mobiel? Zelf moet ik altijd mijn PGB-ordner open slaan om de toegangscodes van mijn vrouw en mij terug te vinden.

Om het u gemakkelijker te maken, kunt u sinds kort alleen nog maar inloggen met uw DigiD bij het pensioenfonds. U weet wel, die codes die u ook nodig hebt voor de belastingdienst, de gemeente, uw WOZ-waarde, etc. Probeer het eens, zou ik zeggen. Maar sla die DigiD codes wel veilig op….

Arnold Verplancke
bestuurder Pensioenfonds PGB


zondag 26 maart 2017

Eerder met pensioen gaan

Tussen WW en AOW



Kan ik mijn pensioen eerder laten ingaan? Want mijn WW loopt straks af en het duurt nog een paar jaar voordat ik AOW krijg?

Hij keek me afwachtend aan, alsof hij een moeilijke vraag had gesteld. Ik was uitgenodigd door oud-journalisten die door reorganisaties bij hun krantenconcern werkloos waren geraakt. Wel met een nette ouderenregeling, dankzij het sociaal plan. Het was leuk al die vertrouwde gezichten terug te zien. Enkelen bleken inmiddels aan hun pensioen toe. Maar de meesten zaten er nog een tijdje vanaf.

Dankzij de formulering van de regeling hadden ze recht op een WW-uitkering. Maar die is beperkt in tijd. Dus had menigeen de brandende vraag: straks loopt mijn WW af en kan ik dan mijn pensioen laten ingaan?

Lagere uitkering
Dat was een makkie voor me. Ja dat kan bij Pensioenfonds PGB. Vanaf uw 55ste kunt u al uw pensioen laten ingaan. Dan moet u natuurlijk wel genoegen nemen met een veel lagere uitkering, dat is logisch. Uw pensioenuitkering wordt actuarieel herrekend als u eerder (of later) met pensioen wilt gaan dan op de voor u geldende AOW- en pensioenleeftijd. Dat gebeurt zo eerlijk mogelijk.

Stel dat een man gemiddeld 83 jaar wordt. Als een mannelijke deelnemer niet op zijn 67ste zijn pensioen wil laten ingaan, maar op zijn 63ste, dan vraagt hij dus van Pensioenfonds PGB niet 16 jaar uitkeringen, maar 20 jaar. De consequentie is dat hij minstens een 20% lagere uitkering krijgt. Als hij nog zou blijven doorwerken, had hij bovendien nog vier jaar pensioen opgebouwd. Daardoor wordt het verschil nog groter tussen pensioen op 63 of 67. Los daarvan moet hij er rekening  mee houden dat hij die eerste jaren natuurlijk nog geen AOW krijgt.

Persoonlijke pensioenplanner
Ik stelde mijn oud-collega’s gerust door eraan toe te voegen dat ze de financiële gevolgen niet zelf hoeven uit te rekenen. Op mijnpgbpensioen.nl, waar ze al hun persoonlijke gegevens kunnen vinden, staat een prima rekenmodule die alles netjes uitrekent: de pensioenplanner. Voer de gewenste vervroegde pensioendatum in en de pensioenuitkering rolt er uit.

Dit kan niet alleen bij Pensioenfonds PGB maar bij verreweg de meeste, zo niet alle pensioenfondsen. Vandaar dat de recente politieke discussie mij ook een beetje bevreemdt, namelijk om de AOW-uitkering flexibel te maken. Daarbij wordt meestal verwezen naar mensen met een zwaar beroep die niet tot hun 66ste of 67ste op dezelfde manier kunnen doorwerken. Maar juist die werknemers hebben meestal ook een aanvullend pensioen via het Pensioenfonds voor de Bouw of het ABP. Daar kunnen ze dus al gebruik maken van een flexibele pensioenuitkering of uitkeringsdatum.

AOW
Het kenmerk van de AOW is juist dat het géén spaarregeling is maar een sociale verzekering voor iedereen. Het recht op AOW is ook niet gekoppeld aan het aantal jaren dat men premie heeft betaald, maar aan het aantal jaren dat men in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Het is dan ook misplaatst om hier een actuarieel principe op toe te passen en de AOW flexibel te maken door die te herrekenen. Hoogleraar Paul de Beer betoogt dat dit echt afbreuk doet aan het karakter van de AOW als basisvoorziening.

Mijn oud-collega’s die allen pensioen hebben staan bij ons fonds, haalden opgelucht adem. De vragensteller bekende dat hij nog nooit had ingelogd op mijnpgbpensioen.nl, maar dat nu zeker zou doen. Tja, een beetje nieuwsgierigheid en zelfredzaamheid kan geen kwaad voor een journalist, toch?

Arnold Verplancke
bestuurder Pensioenfonds PGB

PS: die foto is genomen toen Joke en ik taalles gaven aan een groep buitenlanders; ons zogenaamde 'wachtklasje' van mensen die op de wachtlijst stonden voor individueel taalonderricht. Vrijwilligerswerk dus.


woensdag 1 maart 2017

Een déjà vu

Opmars van vrouwen



Terwijl ik weg ga, rukken allerwegen de vrouwen op in ons pensioenfonds. Hoe zit dat toch? Een déjà vu.

Nog geen tien jaar geleden zag het landschap op een studiedag over pensioenen er erg egaal en rustig uit: vijftig tinten grijs zeg maar. Weinig opwindend. Zowel de kostuums van de heren bestuurders als hun schrale haardos varieerden van donkergrijs naar lichtgrijs, met een eventuele gedekt blauwe uitschieter (niet qua haar overigens).

Logisch, pensioenfondsbesturen bestonden decennialang uit mannen van boven de vijftig. Deelnemersraden veelal ook en bij uitvoeringsorganisaties waren de vrouwelijke medewerkers ook op de vingers te tellen.

Vrouwen meerderheid

Maar zie: de trend buigt duidelijk de andere kant op. Bij onze uitvoeringsorganisatie PGB Pensioendiensten werken ongeveer 200 mensen. De leiding ligt in handen van een directeur en zijn managementteam. Dat team is de afgelopen jaren vernieuwd en verjongd en kwalitatief versterkt. En zie: de meerderheid blijkt plotseling niet meer grijs en evenmin man. De meeste afdelingen zijn in handen van vrouwelijke managers en echt niet de minste. Bij de complete sector pensioenen, de afdelingen ‘business en information management’, ‘finance en risk’ en ‘human resources’  zitten vrouwen aan het stuur. Vergeef me de Engelse betitelingen, maar met Nederlandse aanduidingen als personeelszaken, boekhouding en automatisering kom je niet ver meer tegenwoordig.

‘En toch hebben we geen voorkeursbeleid,’ vertelden ze me bij PGB Pensioendiensten. ‘Bij een vacature kiezen we gewoon de beste. En dat is nu eenmaal vaak een vrouw. Ik zou er ook niet aan moeten denken om voorgetrokken te worden alleen omdat ik een vrouw ben.’

Maar niet alleen onze uitvoeringsorganisatie. Als ik straks vertrek en word opgevolgd door een vrouwelijk bestuurslid, bestaat ons bestuur voor 30% uit vrouwen. Onder de drie leden van onze Raad van Toezicht zit van het begin af aan één vrouw, dus 33%.

HBS

Als dit zo doorgaat zal zelfs het landschap op studiedagen van De Nederlandsche Bank of de Pensioenfederatie er wat kleurrijker en fleuriger gaan uitzien.
Wel vreemd dat deze ontwikkeling zich pas voordoet als ik ongeveer vertrek en dat levert een déjà vu op. Ik herinner me dat op onze katholieke jongens HBS (hogere burger school) het eerste meisje haar intrede deed. Het was bij ons in de vierde klas HBS-B. Ze kwam van de katholieke MMS (middelbare meisjesschool) en ze wilde wiskunde in haar pakket. Dat kon toen nog niet op het Agnes Lyceum in Leiden. Dus ze moest verhuizen als enige meisje naar onze HBS.

Niet veel jaren later was van die scheiding der geslachten niets meer te merken. Maar toen had ik de deur daar al achter me dicht getrokken.

Wat Pensioenfonds PGB betreft: ik kijk met bewondering naar de doortastende aanpak van de nieuwe generatie. Zij heeft ook mijn pensioen in handen.


Arnold Verplancke

Bij de foto: Twee vierde klassen van de HBS bij elkaar in mei 1962 van het St. Bonaventuralyceum te Leiden. Het eerste meisje deed haar intrede: op de eerste rij onder. De schrijver deze staat stoer op de bovenste rij, tweede van rechts, kennelijk met een sigaret in de hand.... 

vrijdag 3 februari 2017

Voor de Kamerverkiezingen

Stemadvies



Zal ik  u een stemadvies geven? Zoals vroeger een kerk of vakbond wel deed. Stem partij X want dat is goed voor uw pensioen…

Of moeten we als pensioenfonds alles wat politieke partijen roepen over pensioenen en AOW in hun verkiezingsprogramma’s eens op een rijtje zetten? En dan vervolgens u een advies geven? Dat wordt wel een hele toer met ongeveer dertig partijen die nu in de rij staan om mee te doen aan de Kamerverkiezing. Bovendien met welk advies bent u gediend?

Natuurlijk, als u wilt dat de AOW-leeftijd terug gaat naar 65 jaar en als u meent dat de rekenrente weer naar 4% moet om de pensioenen te indexeren, dan kun u het heil zoeken bij Henk Krol en zijn 50+. Bent u jong en argwanend tegenover al die collectieve regelingen, dan wendt u zich meer in liberale richting, laten we zeggen naar D66 en VVD. Die bepleiten meer individuele pensioenen en persoonlijke pensioenpotten. Of die minder solidaire liberale aanpak ook meer oplevert, is zeer de vraag. Of  de lijn van Krol  financieel haalbaar en dus betaalbaar is, betwijfelen veel rekenaars ernstig. Wat zou dan ons advies moeten zijn?

Belangrijker
Maar veel belangrijker lijkt mij de vraag of het onderwerp pensioen wel doorslaggevend moet zijn voor het vakje dat u rood maakt op het stembiljet.
Is de AOW-datum belangrijker dan uw veiligheid en die van West-Europa? Moeten we meer zelf gaan betalen voor onze eigen defensie?
Vindt u indexatie van uw pensioen belangrijker dan de verzorging in verpleegtehuizen? Liever een dag in een luier dan onzekerheid over het pensioen?
En het milieu? Luchtvervuiling zoals in wereldsteden als Beijing en New Delhi voor lief nemen als ons pensioenpotje maar groeit en onaangetast blijft?
Nee natuurlijk, veiligheid, welzijn en een schoon leefmilieu zijn minstens zulke belangrijke politieke thema’s in mijn ogen.

Kieswijzers
Als ik  u een advies moet geven, dan zegt ik: oriënteer u breder dan alleen op het thema pensioen of zelfs inkomen. Er steken genoeg kieswijzers de kop op om u te helpen bij uw keuze, gebaseerd op veel meer van uw eigen opvattingen. U kunt bij een heel andere partij uitkomen dan u vooraf zou denken. Dat is ook een vorm van blikverruiming.

Opiniepeilingen
Misschien dat u zich vervolgens nog kunt afvragen of de partijen, die deze of gene kieswijzer voor u suggereert, ook straks iets in de melk te brokken hebben. Ik bedoel, wat hebt u aan een getuigenispartijtje dat met één zetel wel aardig verwoordt wat u vindt, maar geen kans krijgt die opvattingen ook te realiseren? Misschien dat u naast de uitslag van een stemwijzer nog eens kijkt naar de opiniepeilingen. Welke partijen komen niet alleen dicht bij uw opvattingen, maar maken ook kans op een aantal zetels van betekenis?

Maar nu houd ik op, want voor ik het weet geef ik u per ongeluk toch een stemadvies. En dat is niet mijn bedoeling.

Arnold Verplancke
bestuurder Pensioenfonds PGB


Deze column is geschreven voor de website van Pensioenfonds PGB en is ook daar nu te lezen.

vrijdag 16 december 2016

Vertrek aangekondigd


Geen zwanenzang


Een nieuwe lente, een nieuw geluid.

Met deze dichtregel van Gorter snoer ik mensen graag de mond, als ze vragen waarom ik de komende lente ga stoppen als bestuurder van Pensioenfonds PGB. Het is geen dooddoener. Ik denk echt dat het goed is, op tijd plaats te maken voor inspirerend enthousiasme van een nieuwe bestuurder, van wellicht een generatie jonger.

Ik ben geen getallenfetisjist. Maar toch. Komend voorjaar hoop ik 72 jaar te worden. Dan ben ik 27 jaar actief in de pensioensector. Dat lijkt een vorm van omarmend rijm, die voor mij een verborgen betekenis in zich heeft. Zo van: het is goed geweest. Sluit nu maar af.

Anders in 1990
Het werk als bestuurslid van een pensioenfonds lijkt niet meer op dat van 1990, toen ik begon bij het Pensioenfonds van VNU, naast mijn dagelijkse journalistieke werk. Misschien eens per kwartaal, of iets vaker, reed ik naar Haarlem. Om bijgepraat te worden door een adviserend actuaris en een administrateur van het fonds. En om vervolgens enkele goed voorbereide besluiten te nemen. Daarna zat de vergadering er weer op. Ik overdrijf natuurlijk een beetje.

Al heel andere koek bleek het bij Pensioenfonds Wegener (APW), tien jaar later. Het aantal cursussen en studiebijeenkomsten nam toe. Evenals het aantal vergaderingen en de verantwoordelijkheid. Toen APW zijn vermogen in 2010 overdroeg aan het bedrijfstakpensioenfonds PGB, ging het om 800 miljoen euro.

Eind van de eeuw
De afgelopen zeven jaar zijn de eisen aan pensioenfondsbestuurders alleen maar zwaarder geworden. De Nederlandsche Bank beschouwt een pensioenfonds vooral als grote financiële instelling, met alle eisen die daarbij horen. Terecht, want het gaat inmiddels om ruim 23 miljard euro van uw pensioengeld. Voor uitkeringen die Pensioenfonds PGB tot voorbij het eind van deze eeuw moet kunnen doen.

Ik heb mijn vertrek aangekondigd, nu ik het bestuurswerk nog met plezier doe. Met alle  hardwerkende collega’s en medewerkers kan ik goed samenwerken. Ik schrijf graag columns voor u. Maar er komt een moment om de steven te wenden naar rustiger vaarwater. Een enkele onbetaalde nevenfunctie straks nog, wat vrijwilligerswerk en op zijn tijd een mooie reis. Dat is het perspectief waarvoor ik kies, na mijn afscheid van dit bestuurswerk.

Pensioengerechtigden
Mijn opvolger (m/v) in het bestuur zal ook weer de pensioengerechtigden vertegenwoordigen en het aandachtsgebied communicatie bestrijken. Vanuit de vakorganisaties en de Vereniging van Gepensioneerden (VVG PGB) zijn al kandidaten voorgedragen. Individuele pensioengerechtigden kunnen eventueel zelf ook een ervaren kandidaat voordragen, indien die de steun geniet van 500 van hen.

Alle kandidaten worden eerst intern getoetst door een gemengde toetsingscommissie van het pensioenfonds. Als meerdere kandidaten deze horde nemen, volgt een verkiezing door alle pensioengerechtigden. Uiteindelijk zal er één overblijven en worden beoordeeld door De Nederlandsche Bank. Die moet bepalen of de kandidaat ook in haar ogen geschikt is als bestuurder van een grote financiële instelling.

Dat zal de komende maanden gaan spelen. En dan?

Met een variant op het bekende gezegde: In mei leggen alle vogels een ei, alleen ik ben er dan niet meer bij. Dat weet het bestuur van Pensioenfonds PGB.

Toch is deze column nog niet mijn zwanenzang; nog niet mijn afscheid. De komende maanden kunt u nog op een paar nieuwe van mij rekenen.

Arnold Verplancke
bestuurder Pensioenfonds PGB

(column voor website van Pensioenfonds PGB)






dinsdag 29 november 2016

Sneeuwwit en gitzwart



Nietsvermoedend wandelde ik door de zinderende hitte van de Afrikaanse stad. Een beetje stoffig de straat en benauwd de sfeer. Verder niets opmerkelijks. Behalve dan die sneeuwwitte man die me tegemoet kwam. Hij leek onschuldig, passeerde me te traag. Er gebeurde niets. Witte man in zwarte straat.

Ik gaf simpele Nederlandse taalles aan een hoogzwangere Nigeriaanse vrouw bij haar thuis. Haar man was even buiten beeld geraakt. Ze moest bevallen en belde mij midden in de nacht dat ze in het ziekenhuis was. ‘Waar is Cleo’, vroeg ik: haar dochtertje van misschien 3 jaar toen. ‘Hier ergens, zei ze vermoeid. Kortom, ik naar het ziekenhuis en haalde Cleo op. Ze beschouwde mij als een soort oom die altijd grapjes maakte en even met haar speelde. Ik moest die ochtend toevallig wel op de redactie van het Eindhovens Dagblad zijn. De verwarring was groot toen ik met een gitzwart meisje aan de hand binnenliep. Vrolijkheid overheerste. Cleo werd verwend.

Zijn deze twee voorvallen werkelijkheid of fantasie?
Het eerste is verzonnen.
Het tweede is werkelijk gebeurd. Sterker nog, de moeder was zo dankbaar voor alle hulp in de loop van de maanden, dat ze me vroeg of mijn vrouw en ik peter en meter wilden zijn bij de doop van haar nieuwe zoontje. Kortom, onder mijn beperkte aantal petekinderen zit een zwart Afrikaans jochie.

Waarom schrijf ik dit nu allemaal?
Om uw gevoeligheid te testen voor taal.
Bent u gevallen over die sneeuwwitte man?
Kreeg u de kriebels bij het gitzwarte meisje?
Of pas bij dat zwarte Afrikaanse jochie?

Of het door de zwarte pieten discussie komt, weet ik niet. Ik denk eerder door de overdreven politieke correctheid enerzijds, die het beschaafde deel van onze natie nastreeft en de botte taalverruwing anderzijds op sommige social media. Maar als ik in een column gebeurtenissen als hierboven beschrijf, blijkt iemand het woord ‘gitzwart’ te schrappen. ‘Dat zou wel eens verkeerd kunnen vallen.’ Hoe, waarom en bij wie ontgaat me. Waarschijnlijk bij sommige witte mensen die alles o zo goed bedoelen. Of bij sommige gekleurde mensen die even overgevoelig zijn.

Maar ik garandeer je dat het opviel, toen ik met Cleo aan de hand de redactie vloer op liep, dat ik wit was en zij zwart. En niemand dacht aan discriminatie of wat dan ook.

Trouwens, die sneeuwwitte man was ook best eng toch. Hij leek onschuldig, maar ondertussen….

Arnold Verplancke




maandag 28 november 2016

Oud en vervreemd




Is het leuk om iemand na ruim een halve eeuw weer te ontmoeten? Heb je als jongens voor het laatst samen gelachen. Zit je nu als bejaarde mannen tegenover elkaar. Mwah. Ongemakkelijk. Lastig. Echt niet alleen maar leuk.

Herinneringen ophalen lukt nog wel. Hoe we samen na een biertje hard meegalmden met Mario Lanza en zijn Drinklied uit de film Student Prince. Of hoe we dachten Elvis Presley te imiteren en indruk te maken op meisjes in petticoat.

Toeval
Maar het heden blijkt lastiger.
Het is ook puur toeval dat we contact krijgen. Hij ontmoet een neefje van mij met dezelfde achternaam. Heet jouw vader misschien Arnold? Nee mijn oom wel. Ach, dat zou leuk zijn.

En zo zit ik op een dag in een keurig opgeruimde doorzonwoning elders in het land. Met zijn vrouw erbij, thee en een koekje. Ja dat Drinklied kennen we nog wel, al zingen we het niet meer. Veel lol vroeger. Maar rond actuele onderwerpen ligt een mijnenveld. Zover blijk je uit elkaar gegroeid en van elkaar vervreemd.

Politieke onderwerpen kun je bij de thee misschien beter vermijden. Dus als hij komt op de ‘buitenlanders’ die overal de schuld van zijn, probeer ik nog even terug te keren tot het druilerige weer. Maar als die truc niet lukt, vraag ik hem toch voorzichtig hoeveel niet blanke of niet oorspronkelijk Nederlandse vrienden en kennissen ze eigenlijk hebben. Geen dus.

Meer kleur
Om het onderwerp iets meer kleur te geven, vertel ik over de reizen die mijn vrouw en ik maakten door landen als Syrië (voor de oorlog), Iran, Ethiopië, en India. Dat ik zelfs peetoom ben van een gitzwart zoontje van een Nigeriaanse moeder. Dat er natuurlijk ook slechte mensen zitten tussen de migranten, maar dat de meesten….
De voorbeelden vallen niet in vruchtbare aarde. Boos begint hij over zwarte Piet. Tactisch probeer ik nog te nuanceren. Natuurlijk voelt het niet leuk als oude Nederlandse tradities  verdacht worden gemaakt. Maar maak er niet zo’n punt van! Kinderen zijn ook blij met een Roetveegpiet, als ze maar kunnen zingen en cadeautjes krijgen.

Hij schudt nors zijn hoofd. Zijn vrouw helpt ons weer op gang: ‘Het zit hem ook allemaal zo dwars,’ licht ze toe. Ik knik begrijpend. ‘U bent toch ook met pensioen, of werkt u nog?’
Alle twee, antwoord ik en noem mijn bestuursfunctie bij het pensioenfonds.

Dat woord komt wél goed binnen. ‘Ja, blij dat ik altijd lid van de vakbond ben gebleven en pensioen heb opgebouwd. Naast onze AOW. Elke maand netjes op tijd op de giro. We kunnen er prima van rondkomen. Ja toch?’

Terwijl het miezert, zoek ik mijn auto op die een eindje verder staat. Niet helemaal voldaan over wat waarschijnlijk ons laatste gesprek is geweest. Ook niet over mijn onvermogen de kloof te dichten. In mijn hoofd hoor ik het eens zo opzwepende ´Drink! Drink! Drink!´ en `May young hearts never part!´

Arnold Verplancke












dinsdag 12 juli 2016

Delen of niet

Echtscheiding en pensioen





Delen of niet

'Nee ik hoef dat pensioen van haar niet. Scheiden is scheiden, laten we consequent zijn.' Hij stelde  het zonder boosheid maar beslist. 'Dat is in je eigen nadeel,' reageerde hun gezamenlijke advocaat bezorgd. En zij knikte er bij: 'Ik heb immers meer opgebouwd dan jij.'

Ze waren jong getrouwd en hadden nog niet lang geleden hun twintigste huwelijksfeest gevierd. Nou ja gevierd, in kleine kring dan. Een etentje met hun enige dochter. Die studeerde al en woonde op kamers.
Het was niet de bedoeling erover te praten tijdens dat dinertje. Maar bij het hoofdgerecht doorbrak dochterlief de stilte en vroeg: 'Zijn jullie eigenlijk nog gelukkig?' Ze zag plotseling tranen in de ogen van haar moeder en haar vader verslikte zich bijna in een stukje eend.

Scheiden
'We wilden het er nu niet over hebben,' begon hij. 'Maar laten we geen verstoppertje spelen, je moeder en ik gaan uit elkaar. We gaan scheiden. Sorry liefje.'
Daarna bleek alles vrij soepel te gaan. Geen vechtscheiding, maar een zakelijke aanpak. Niet twee advocaten, om het conflict niet aan te wakkeren. Over de verdeling werden ze het snel eens. Over de huur en studiekosten van de dochter, wie de piano kreeg en wie de vogelkooi.
Maar toen begon hun advocaat over de pensioenen die ze alle twee tijdens hun huwelijk hadden opgebouwd.

Pensioen verdelen
'Volgens de wet verdelen jullie de pensioenen. Hij heeft recht op de helft van jouw ouderdomspensioen. Dat is de moeite waard. En zij heeft recht op de helft van jouw pensioen. Dat is nog niet veel omdat je lang hebt gestudeerd en daarna meestal als zzp'er bezig was.'

Zijn reactie verraste haar. 'Nu we uit elkaar gaan, wil ik ook geen financiële band meer hebben. Dus laten we de pensioenen niet delen, stelde hij. 'Ieder houdt zijn eigen pensioenrechten. Dat kan toch als we dat afspreken?'
Ja dat kon, bevestigde de advocaat. Hij kon dat opnemen in het convenant. 'Maar nogmaals: het is wel in uw nadeel.'

Nabestaandenpensioen
De man knikte: 'Ik weet het. Maar ik heb nog meer dan twintig jaar te gaan voor mijn pensioen. Ik zal wel voor mezelf zorgen.'
'Nabestaandenpensioen krijgt u ook al niet,' legde de advocaat uit. 'Het nabestaandenpensioen van uw vrouw is op risicobasis verzekerd en er is geen potje voor opgebouwd. 'U bent straks geen rechthebbende op iets, ook niet als uw vrouw overlijdt.'

'In zijn pensioenregeling is dat toch anders,' meende zijn vrouw te weten. Dat bleek inderdaad het geval.
'Als uw man overlijdt, dan krijgt u als ex inderdaad nabestaandenpensioen, namelijk dat wat tijdens uw gezamenlijke huwelijk is opgebouwd.'

De man haalde zijn schouders op. Bijna toonloos: 'Prima, dan denk je in ieder geval nog aan me, als ik dood ben.'

'Ik zal heus we aan je blijven denken.' Ze voelde een brok in haar keel: 'We hebben toch veel goede jaren gehad samen. Een dochter samen gekregen. Alleen werkt het nu niet meer. Onze houdbaarheidsdatum is verstreken, zeg maar.'
Even flitste zelfs door haar hoofd dat hij toch wel een lieve vent was. Maar ja, het S-woord was gevallen. Je kon moeilijk meer terug.
'OK, dan mag jij de auto toch,' zei ze, om iets terug te doen.

'Graag!' Hij zei het niet hardop, maar dacht: liever een vogel in de hand dan tien in de lucht.

Arnold Verplancke
Bestuurslid Pensioenfonds PGB

PS: als illustratie heb ik de hoes gebruikt van de Echtscheidings lp van Youp.




maandag 14 september 2015

Solidariteit van importbruid

Column voor pensioenfonds PGB

We zijn trots op haar, onze vriendin. Ze is uitgeroepen tot Meester Burger 2015 van Nederland. En dan te bedenken dat ze op 15-jarige leeftijd als importbruid uit Turkije hierheen is gekomen. De jury roemt haar belangeloze inzet voor anderen.



Elk jaar onderscheidt het Huis voor Democratie en Rechtstaat (Prodemos) een Nederlander voor zijn of haar burgerinitiatief om anderen te helpen. Uit alle genomineerden heeft de jury dit jaar onze van oorsprong Turkse vriendin gekozen.

Wat heeft dat nou met pensioenen te maken, zult u vragen. Niets. Maar toch moest ik er aan denken. De wortels van pensioenfonds PGB liggen ook in de onderlinge solidariteit. Dan moeten we terug naar 1929, toen het eerste bedrijfstakpensioenfonds ontstond: het Pensioenfonds voor de Grafische Vakken.

Geen winstoogmerk
Sindsdien is er veel veranderd: PGB is opgebloeid tot een multisectoraal pensioenfonds met aangesloten bedrijven uit bijvoorbeeld de chemie en de waterbouw. Maar de oorspronkelijke kenmerken staan nog fier overeind. Dat bleek wel begin deze maand tijdens een bijeenkomst met ruim honderd vertegenwoordigers van onze achterban: van werkgevers- en werknemersorganisaties en van de vereniging van gepensioneerden. Op de vraag naar de belangrijkste kenmerken van PGB noemde 31% de solidariteit en 38% het feit dat PGB geen winstoogmerk heeft. Onder de werknemersvertegenwoordigers liepen de beide scores op naar 44% elk.

Aan die criteria moest ik denken toen ik over de uitverkiezing van onze vriendin hoorde: belangeloze inzet en solidariteit. Ze komt als tiener naar Nederland, krijgt onmiddellijk een baby, spreekt alleen Turks en moet werken bij haar schoonmoeder thuis en in naaiateliers. Tot ze zelf initiatief neemt en Nederlands gaat leren. Vervolgens naar de deeltijdopleiding voor journalistiek gaat. Daarbij gesteund door haar man. Uiteindelijk een paar jaar als journalist werkt en twee romans schrijft. Een autobiografische: De Importbruid.

Drugs
Waar is ze nu voor onderscheiden? Ze maakt zich grote zorgen dat in de Tilburgse drugsteelt en drugshandel mensen met Turkse wortels óververtegenwoordigd zijn. Ze wijst in artikelen en bijeenkomsten op de gevaren. Kinderen in een brandgevaarlijk huis vol wiet op zolder. Jongeren die verblind door het geld en bling bling maar één doel in hun leven zien: geld verdienen via de wiet. ‘Geen wiet, geen sterretje’, luidt een gezegde: als je niet in de wiet zit, kun je geen Mercedes kopen.

Zweet op je voorhoofd
Tegen die mentaliteit strijdt zij met haar initiatief ‘alin teri’, dat betekent zoiets als: met eerlijk zweet op je voorhoofd je geld verdienen. Niet met wiet. Haar initiatief krijgt steun van allerlei kanten, van wetenschappers tot veel gewone Turken, van de burgemeester tot publicisten. Maar ze mikt natuurlijk op haar eigen achterban, uit solidariteit ook met de nieuwe generaties die opgroeien tussen valse verleidingen.

Haar actie ‘alin teri’ doet ze zonder enig winstoogmerk. Die kost haar alleen maar tijd en geld. Haar dagelijks brood verdient ze door mee te werken in het garagebedrijf van haar man, met vuile handen en soms zweet op haar voorhoofd. Het journalistieke werk is naar de achtergrond, afgezien van een mooie persoonlijke column in de regionale krent.

Solidariteit en belangeloze inzet voor elkaar heeft aan de basis gelegen van PGB, maar is in de 21ste eeuw nog steeds even hard nodig.

Arnold Verplancke
bestuurslid PGB






zaterdag 1 augustus 2015

Mkanda revisited



Armoede maar vooruitgang

Ik had het dorp echt niet herkend. Als je me zo, zonder toelichting in Mkanda had gezet, met alleen maar de mededeling: je bent hier eerder geweest. Zoveel was er ten goede veranderd in dit stoffige dorp. Verstopt in het platteland van Malawi, Afrika’s armste land volgens sommige internationale ranglijstjes. Alleen te bereiken via een bijna onbegaanbare weg vol kuilen en twee gammele houten bruggen; niet veel meer dan een paar planken vol spijkers.


Tien jaar geleden was ik er ook, toen namens een kleine hulporganisatie. Om te helpen de hongersnood af te wenden die uitbrak. De droogte had de oogst laten mislukken en de voorraadschuurtjes waren leeg. Niet dat wij het konden opnemen tegen het onbarmhartige klimaat. Maar dat betekent nog niet dat je helemaal machteloos bent. Met twee andere auteurs heb ik dat beschreven in ons boekje ‘Je kunt ook (n)iets doen’ (2006, ISBN 9080757462).

We hebben de dorpsbewoners toen een voorraad maïs (het volksvoedsel in Malawi) en kunstmest voor de nieuwe oogst kunnen bezorgen. Elders in een grote sloppenwijk van Blantyre hebben we elke ochtend aan duizenden schoolkinderen een bord pap kunnen geven, zodat ze niet met een lege maag de schooldag door moesten. 


Kleuterschooltje
Deze zomer keerde ik terug naar Mkanda tijdens onze nieuwe reis door Malawi.  Wat was er veel gebeurd! Dat de Tilburgse Stichting Het Goede Doel er jaren geleden een kleuterschooltje had gebouwd, wist ik. Onderschat overigens niet de betekenis daarvan. In een dorp dat – zoals veel andere - hevig geteisterd is door aids, waar veel kinderen één of soms zelfs beide ouders missen, is dagopvang met een goede kleuterjuf heel belangrijk voor de kleinsten. De kinderen leren terwijl ze spelen. De familie is even ontlast en kan beter zorgen dat er dagelijks iets te eten komt.




Primary school
Maar er was meer veranderd. Naast de kleuterschool bleek de stichting inmiddels een aantal klasgebouwen neergezet te hebben voor een ‘primary school’. Een andere hulporganisatie had  het initiatief overgenomen en er later nog een paar gebouwd. Nu had de Tilburgse stichting op haar beurt de laatste twee lokalen gefinancierd, waaraan hard werd gewerkt. Zeer binnenkort staat er dus in Mkanda een complete achtklassige primary school (voor 6-14 jaar en ouder) en dat is van groot belang. Als eenmaal een complete school is voltooid, neemt de Malawiaanse overheid namelijk de financiering van de school over, inclusief de salarissen van de onderwijskrachten.



Waterpomp
Niet alleen vanwege dit hele scholencomplex had ik het dorp nooit meer herkend. Er was meer gebeurd. 
Het dorp had nu een eigen (functionerende) waterpomp en zelfs een eigen gezamenlijke maïsmolen voor de zelf verbouwde maïs. Dat betekent dat de bewoners – vaak vrouwen en kinderen – niet meer uren hoeven te sjouwen naar ver weg gelegen dorpen en putten.



Een van de dorpelingen die inmiddels zelf in de stad woonde, had in haar geboortedorp een groot huis gebouwd. Niet alleen voor haar familie, maar ook om vrijwilligers en stagiaires onderdak te bieden die kwamen helpen in het dorp en in de scholen. Mkata beschikt zo ook over een logement.

Tegenover alle sombere verhalen uit Afrika mogen ook alle positieve ontwikkelingen op lokaal niveau niet ontbreken. Het leven is er nog steeds hard en sober in Mkanda. De mensen sappelen om hun kinderen en zichzelf van eten te voorzien. Ze verbouwen maïs en tabak (een van de belangrijkste exportproducten van Malawi). Maar het gemiddeld inkomen ligt rond de één á twee dollar per dag. En voor velen dus vaak lager.

Het klimaat blijft ook onverbiddelijk. Soms haalt het land de internationale pers door grote overstromingen, zoals eerder dit jaar. En als daarna de droogte toeslaat, dreigt voor het eerst in tien jaar weer een hongersnood. Ook dan is hulp onontbeerlijk.



donderdag 11 juni 2015

Geen wiet? Geen sterretje!

Geen wiet? Geen sterretje!


 “Geen wiet, geen sterretje.” Ze zegt het midden in het gesprek, alsof iedereen die uitdrukking kent. In de Tilburgs-Turkse gemeenschap kennelijk wel. Het betekent: als je niet in de wiethandel zit, dan kan je ook geen Mercedes rijden.

De  vrouw die met ons praat - laten we haar voor de verandering Fatma noemen – heeft wèl gekweekt, ongeveer anderhalf jaar lang.  Ze heeft het achter zich gelaten, al jaren geleden; ze is nu ‘clean’. “Gelukkig wel. Ik loop nu geen risico meer, ben niet constant bang dat er een paar jongens met een pistool binnenvallen. We hebben nu een vast inkomen, weten wanneer we geld krijgen. Zekerheid, veiligheid en geen onrust meer.”

Waarom ze er indertijd mee is begonnen? “Om het geld.” Aanvankelijk hadden zij en haar man een eigen bedrijf. Ze werkten hard en verdienden ook goed. Ze reden in een mooie auto, van zelf verdiend geld. In de omgeving ging onmiddellijk het praatje: die kweken natuurlijk op hun zolder. “En we hadden niet eens een zolder…”

250 plantjes

Wel hadden ze een koophuis. En toen het met hun bedrijf niet meer lukte, man en vrouw bovendien uit elkaar gingen, ontstond wel behoefte aan geld. Tja, dan roept iemand: waarom gooi je het huis niet vol plantjes?  “We hadden boven een grote slaapkamer. Daar heb ik 250 plantjes in gezet. Die leverden € 45.000 op per oogst. Zelf woonden we er toen niet meer, dat vond ik te gevaarlijk voor de kinderen. Ik heb wel zelf nog mee geknipt, vies werk!”

Nogmaals: waarom deed ze het? Het is toch gevaarlijk. Je kunt strenge straffen krijgen. Het hele milieu is crimineel. “Iedereen doet het.  Waarom zou ik het niet proberen?” In totaal heeft ze vier keer geoogst. Ze is nooit gepakt door de politie. Haar partner later wel, maar die kreeg slechts een werkstraf en een boete. Het huis was toen inmiddels verhuurd aan mensen die voor zichzelf aan het kweken waren.

Kofferbak vol

Beginnen met de wietteelt was niet moeilijk. ‘Een vriend van een vriend’ deed de elektriciteit. En het spul afzetten? “Ik heb zelf met een kofferbak vol gereden naar een autobedrijf. Achter werd de wiet uitgeladen en voor kreeg ik mijn geld.”
Ach dat geld! “Je houdt niks over. Het geld vliegt weg, ook omdat het zwart is. Je koopt alles gemakkelijk. Auto’s, kleding.”

Als nu iemand aan haar vraagt hoe hij moet beginnen met het kweken, zou  ze het afraden. “Niet doen, wiet is verdriet.” Maar als hij aanhoudt, zou ze hem toch naar een growshop wijzen die goed op de hoogte is en hem verder kan helpen. “Anders doet iemand anders het wel.”

Haram

Het is een gevaarlijke wereld. Er wordt geschoten, cocaïne gebruikt. Compagnons die elkaar bedriegen. De een steelt van de ander en tipt vervolgens de politie.
Is ze daarom gestopt? “Nee, omdat het haram is.” Het is verboden volgens het geloof, zondig, bedoelt ze. Dat was het altijd wel, maar ze werd bang, dat ze door Allah gestraft zou worden. Niet alleen later, maar ook nu. Dat een van haar kinderen dood zou gaan, of ongelukkig zou worden, als straf. “Als je wilt stoppen, moet het van binnenuit komen, vanuit je geloof.” 

Volgens haar moet de overheid de koffieshops sluiten. Anders lukt het niet. Zolang mensen vijf gram mogen bezitten voor eigen gebruik, blijft het idee dat je ook moet mogen kweken.
Ook de moskee zou kunnen helpen. “Als de imam zou uitleggen dat wiet haram is en vertelt hoe erg je later in de hel zult branden, of via de kinderen kan worden gestraft.”

Wat vindt ze van Ali Teri? “Jullie zijn echt goed bezig. Wiet is verdriet. Je moet je geld eerlijk verdienen. Dat vertel ik ook mijn kinderen. We praten er thuis eerlijk over. Ze weten wat ik vroeger heb gedaan. Ga gewoon werken, zeg ik. Verdien eerlijk je geld. Dan is het ook echt jouw geld.”



Interview: Hulya Cigdem en Arnold Verplancke voor Alin Teri.





woensdag 13 mei 2015

Wiet is verdriet



Tilburg is het ergste

“Tilburg is crimineler dan Den Haag. Daar sprak niemand over wiet. Hier in Tilburg  was het normaal. In de koffiehuizen praatten ze openlijk. ‘Hoeveel heb je er af gehaald, hoeveel kilo? Hoeveel droog en hoeveel nat?’ Als je één keer naar het koffiehuis ging, wist je alles.”

Hij klinkt nog verbaasd als hij er op terug kijkt. Laten we hem Bülent noemen, een Turkse man van midden dertig, die fors in  de wietteelt en –handel heeft gezeten. Niet zijn echte naam, omdat hij bij zijn vroegere vrienden niet de indruk wil wekken dat hij al te veel uit de school klapt.

Geboren in Turkije en later als zestienjarige herenigd in Den Haag met zijn ouders. Zijn vader kwam hierheen als gastarbeider, zijn moeder volgde en nog later arriveerden de kinderen. Via zijn vrouw raakt hij vervolgens in Tilburg. “Een rustige stad. Geen bakkerij open op zondag in die tijd.”  

Bülent is een handige jongen, in allerlei opzichten. Hij kan tegels leggen, in de bouw werken, elektriciteit aanleggen, maar ook organiseren, mensen aan het werk zetten en als koppelbaas fungeren. Hij heeft een goed inkomen als hij in Tilburg komt. Maar in een koffiehuis gaat het zó vanzelf…. 

“Ze komen naar je toe. Vragen wat voor werk je doet. Maken kennis. Vragen of je een ‘plaatsje’ voor ze wil zetten, voor de wiet.  Of dat je misschien relaties hebt in België of Duitsland. Ze laten een stapel geld zien of een mooie auto. Zo trekken ze je er in.”

Hij geeft niemand anders de schuld. “Het was stom van mij zelf om er mee te beginnen. Het was meer de spanning, de adrenaline. Ik had geld op de bank  van mijn normale werk. Had het niet nodig. Ik zag het als een bijbaantje.”

In de Tilburgse schoonfamilie zat ook een aantal mannen in de wiet. Zijn vrouw vond het toen normaal. “Ik kende wiet eigenlijk niet eens. Ik dacht dat ze ‘wit’ zeiden en cocaïne bedoelden. In Turkije maken ze touw van hennep.”

Elektriciteit
Zo kwam Bülent er in terecht. Eerst mee helpen verbouwen. Dan zakken aarde naar zolder sjouwen. Zien dat je de elektriciteit wel wat handiger kunt aanleggen. In gewone woonhuizen van gezinnen.  Hij hoorde er hoe snel alles groeide en hoe er geoogst werd. “In het koffiehuis zeggen ze dat je weinig risico loopt. Dat je zeker de eerste keer geen straf krijgt. Zo praten ze, om je over te halen.”



Kortom, hij belandde zelf midden in de kweek en handel. Verhuurde een bedrijfspand dat hij oorspronkelijk voor zakelijke doeleinden zelf had gehuurd. Liet ook in huizen buiten Tilburg kweken en oogsten. Bouwde een netwerk,  bemiddelde tussen vraag en aanbod. En verdiende goed, heel goed.

Uit die tijd weet Bülent: geld is niets waard. “Wat is 100.000 euro? Zo op, als je ze zo gemakkelijk verdient. Je koop een auto van 65.000 euro. Je doet stoer. Om een discotheek in Den Haag nog een uur na sluitingstijd door te laten draaien, legde ik 14.000 cash op tafel. Ik heb mannen met steentjes zien gooien met een miljoen op tafel. Een fooi zien geven van 14.000 aan een meisje.”

Gevangenis
Hij is gepakt en gestraft. Niet voor de wiethandel. Maar omdat hij zijn bedrijfspand had verhuurd aan iemand die er – zonder dat hij het officieel wist – 1600 plantjes had staan. Hij dacht buiten schot te blijven. Maar helaas. Zes maanden gevangenisstraf, wel in een open gevangenis.

Pas toen kwam zijn eigen moeder er achter wat haar zoon daar in Tilburg uitspookte. Ze wilde hem niet meer en nooit meer zien. Zijn kinderen kwamen wel op bezoek in de gevangenis, maar kregen te horen dat papa daar in het ziekenhuis zat. Hij schaamde zich. De bewakers werkten mee en bleven daarom uit zicht.

Nee, hij is niet gestopt vanwege die gevangenisstraf. Dat was een makkie in die open inrichting. “Ik ben voor mezelf gestopt. Voor mijn broer. Voor mijn kinderen. Ik wil niet dat ze zeggen: mijn vader is kweker.” Hij heeft drie meiden. De oudste zit al op vwo. Daar is hij trots op. Ze bespelen alle drie een instrument. Leren  meerdere talen. “Ik wil geen geld achterlaten voor hen. Geld is zo op. Ik investeer in de kinderen: dat ze kunnen leren en zelfstandig leven.”

Jongeren worden verpest. “Ze zitten er bij in de koffiehuizen en denken: dat ga ik ook doen. De jongens om stoer te lijken. De meiden om mooie kleren en de laatste mode. Wiet kweken vinden ze normaal op 17 en 18 jaar. Van de handel in wiet stappen ze over op hard drugs. Makkelijker en minder volume. Ik ben misselijk geworden van het werk. Huwelijken gaan er aan kapot.”

Hij heeft nu een eerzaam bedrijfje samen met een vriend en een paar medewerkers.  Verdient veel minder dan toen hij in de wiet zat, maar voelt zich veel veiliger. Hij kent veel van de mensen die de laatste jaren geliquideerd zijn, maar heeft contacten in dat circuit afgebroken. Vrienden heeft hij meermalen gewaarschuwd. Vaak tevergeefs. Veel zijn er in de gevangenis beland. “Ik hoop dat iedereen die logisch nadenkt, stopt met de wiet. Wiet is verdriet. Zó heb je duizenden euro’s en zó ben je platzak en word je bedreigd.”

Natuurlijk is het beste als mensen op morele gronden stoppen of weigeren. “Maar Nederland moet ook zelf aanpakken. Bij de achterdeur van de koffieshops moet aangeleverd worden! De straffen moeten ook strenger. Anders blijven mensen zoeken hoe ze zo snel rijk kunnen worden.”

Interview: Hulya Cigdem en Arnold Verplanckein het kader van Alinteri013


zondag 12 april 2015

Hansweert: Klein Antwerpen


Knooppunt in West-Europa


Het Zeeuwse dorp Hansweert kon een eeuw geleden pronken met titels als ‘Klein Antwerpen’en ‘Knooppunt in West-Europa’.  Het kanaal dat midden negentiende eeuw dwars door Zuid-Beveland werd gegraven, zorgde voor veel extra  scheepvaart. De schepen voeren Hansweert niet alleen meer voorbij over de Schelde naar de Antwerpse haven; het nieuwe kanaal leidde de binnenvaart van Antwerpen via Hansweert naar Rotterdam en verder naar Duitsland. Het werd zo druk, dat rond de Eerste Wereldoorlog een derde sluis nodig was. Die ging in 1917 open.


Hansweert groeide uit tot een echt knooppunt voor de binnenvaart in West-Europa. De middenstand groeide, café’s schoten uit de grond (vandaar ‘Klein Antwerpen’), winkeliers lieten ‘leurders’ met hun waren langs de sluizen lopen of fietsen. Parlevinkers belaagden de schippers vanuit hun kleine roeibootjes.


Als jongen kwam ik in de jaren vijftig en zestig vaak in Hansweert. Mijn moeder was er geboren en veel van haar familie (ooms en tantes) woonde er nog. Mijn grootouders gingen er regelmatig heen met hun Renaultje en als oudste kleinzoon mocht ik graag mee. Zowel voor als vlak na de Watersnoodramp in 1953.


Het bedrijvige dorp heb ik nog meegemaakt. Graag liep ik over de bruggetjes van de drie sluizen of wandelde ik naar ‘de punt’ die een eind de Schelde in stak, om bij het vuurtorentje naar de enorme watermassa te staren en de schepen te zien.



In de goede jaren werkten meer dan 200 mensen op de sluizen, niet alleen sluispersoneel en onderhoudsmensen, maar ook douaniers en marechaussee. Begin jaren zeventig passeerden 100.000 schepen het kanaal door Zuid-Beveland en dus de sluizen van Hansweert.

De klad komt er in als het Schelde-Rijnkanaal in 1975 open gaat. Veel schepen nemen dan de kortere route tussen Antwerpen en Rotterdam.
De doodsteek volgt een jaar of tien later, als het nieuwe grote sluizencomplex open gaat en de drie oude sluizen buiten gebruik raken.

Ik heb nog geschreven in het toenmalige nieuwsmagazine Nieuwsnet over de aanleg van de sluizen, waarvoor het oostelijke deel van Hansweert onder water werd gezet. 



De reportage over het ten dode opgeschreven Hansweert-Oost met zijn mooie bejaardentehuis Maria-oord vergeet ik nooit. Rustend in de mooie tuin, vlak achter de hoge dijk, waar menig oud familielid van mij zijn laatste dagen had gesleten, besefte ik: dit staat straks allemaal onder water. Die immens hoge dijk achter de tuin verdwijnt en de Schelde stroomt hier binnen.


Hansweert is nu zelf een bejaard en slapend dorp. De kleine sluis, vlakbij het dorp is nog goed te herkennen. 

De sluisdeuren zijn intact, maar het water is weg uit de sluis. 


Een paar jaar geleden is de bak van de sluis nog gebruikt in het Zeeland Festival om er zomers theatervoorstellingen te geven.



Van de middelste en van de vroegere grote sluis zijn alleen nog de contouren zichtbaar.

Ver weg van deze vergane glorie ligt het nieuwe immense sluizencomplex, waar sinds de opening in 1987 geen parlevinkers meer mogen komen. Het schutten duurt in de nieuwe sluiskolk nog maar vijf minuten en geen uren. Dus weinig meer te verdienen en veel te gevaarlijk om daar met waren te leuren. En verboden dus. Sindsdien is de middenstand gedecimeerd, zijn café’s gesloten en veel arbeiders en ambtenaren weggetrokken uit Hansweert.


Wat niet verdwenen blijkt: de katholieke kerk met daarnaast het oude kerkhof, vol familiegraven. 


Mijn overgrootouders liggen er, Jacobus Kuif (1855-1931) en Christina Theodora Post (1856-1935): de ouders van mijn grootvader Arnoldus Kuif. En veel broers en zussen van mijn oma Cornelia Kuif-Van Ertvelde: de tantes Fien (Seraphina) en  Piel (Pelagia), de ooms Leo (Leonardus) en Fons (Alphonsus).

Rondlopen achter die kerk levert nostalgische herinneringen op aan een mooie tijd en lieve oude familieleden in een bedrijvig dorp. 


Tussen oude foto’s tref ik mijn grootvader aan, Arnoldus Kuif, naar wie ik ben genoemd. Hij reed een eeuw geleden als machinist op een kieptreintje bij het kanaal, waarschijnlijk kort na de Eerste Wereldoorlog. Aan zijn vest hangt een oud zakhorloge dat ik nog steeds bewaar.



Niets herinnert nog aan die noeste arbeid, als je die hoge dijk langs het kanaal nu ziet.

In het Hansweert van nu moet je oog hebben voor de details om het verleden te zien herleven.

Een groot scheepsanker ligt op een dijk.


Bij eb steekt de kiel van een vergaan schip nog net de kop op.


Rond de oude sluizen zijn nuttige informatiezuilen geplaatst die herinneren aan het grootse verleden  van Hansweert




Al lezend en lopend komt het oude Hansweert weer even terug in zijn vroegere bedrijvigheid.


Dwalend over het oude kerkhof openen de grafstenen een rijke familiegeschiedenis.





















Mijn overgrootouders liggen er: Christina Theodora Post (1856-1935) en Jacobus Kuif (1855-1931).





















Tante Fien (Seraphina van Ertvelde 1884-1974), de zus van mijn oma, ligt er begraven. Samen met haar man, oom Adriaan Dommanschet (1897-1966), die op de (later gesloten) scheepswerf werkte.


Oom Leo (1896-1984), die op de Werfdijk woonde en met een baggerschip nog wel eens in Leiden is geweest, vlakbij de Haven.






Niet te vergeten oom Lodde en tante Piel, namen die bij ons in Leiden altijd de lachlust opwekten. Voluit heetten ze Ludovicus en Pelagia.


Een soort staatsiefoto van een deel van die generatie Van Ertvelde in Hansweert. Van links naar rechts tante Fien (Seraphina), oom ‘Arjaan’(Adrianus), tante Piel (Pelagia), Cornelia (mijn oma), oom Jan, Arnoldus Kuif (mijn opa), tante Wanne, Bertha, dan een vrouw die ik niet herken, Finus (zoon van Jan en Wanne) en de laatste vrouw rechts ken ik ook niet.

Op de foto ontbreekt een groot deel van het gezin Van Ertvelde, dat volgens de overlevering wel 19 kinderen telde. De al eerder genoemde oom Leo staat er niet op.


Ook mis ik oom Fons, de oude vriendelijke baas met slechts een enkele tand voor in zijn mond. Alphonsus leefde van 1878-1969 en reed op hoge leeftijd nog op zijn bromfiets dijk op en dijk af.

Ook de toen in Antwerpen wonende tante Mie mis ik. Die had daar een café, zeiden ze hoofdschuddend.

Lopen door Hansweert en over het kerkhofje betekent bladeren in mijn geheugen.

ARNOLD VERPLANCKE