dinsdag 7 november 2017

Handleiding Takkie Takkie



'Handleiding Takkie Takkie'

Zo heet het  dunne taalboekje dat Nederlandse militairen mee kregen naar Suriname voordat die kolonie onafhankelijk werd (in 1975). (Voor de Suriname-Cien betekent voor de Suriname-compagnieën)

Takkie Takkie was geen scheldwoord, maar achteraf gezien wel een neerbuigende benadering van het spreken in Paramaribo en wijde omgeving door de creoolse bevolking.

Het schoot me te binnen in de commotie rond het woord ‘dobbernegers’ van mevrouw Nanninga. In de nasleep van die discussie viel ook weer de omstreden uitspraak van  Gerard Reve; om ze allemaal ‘op de Tjoekie Tjoekie stoomboot enkele reis naar Takki Takki oerwoud’ te zetten.

Ik ga het niet hebben over ironie of sarcasme, een verkeerd gevoel van humor of puur racisme.  Het citaat van Reve herinnerde mij aan het boekje dat ik van een militair kreeg toen ik mij voorbereidde op de verslaggeving rond de onafhankelijkheid van Suriname.


 De schrijver dezes (rechts met Indonesisch hemd) en aan het hoofd van de tafel de jong gestorven Jan van Wieringen die namens de Haagsche Courant in Paramarbo was in 1975.

‘Hier,’ zei de afgezwaaide militair, ‘heb je misschien wel iets aan’.  Hij gaf me overigens ook naam en adres van een contact in Nickerie.

Ik heb het boekje niet gebruikt.  Met zinnen als ‘Takki safri, mi takki piekienso Sranan Tongo’ kwam ik niet ver in interviews met Surinaamse ministers en economen. Volgens het boekje luidt de vertaling: ‘Spreek langzaam, ik spreek weinig neger-engels’. En met ‘Tjari datti go go na kampoe’  al evenmin. Vertaling: ‘Breng dit naar de kazerne.’


Op het spandoek in Nieuw Nickerie staat: 1975 onze toekomst in eigen hand

Het boekje is nu, een halve eeuw later, grappig. Om meesmuilend of schouderophalend te grinniken. Niet om schande van te spreken. Een andere tijd, een andere doelgroep. Het is altijd verstandig om de context van een geschrift te kennen en niet al te gemakkelijk met normen van nu over het verleden te oordelen.



Arnold Verplancke


Het was hard werken in 1975 in Coronie, waar nog met de hand palmolie werd bereid uit kokosnoten 

zondag 5 november 2017

Een leeggeruimde kerk: daar kan geen kunst tegen op



Sacrale ruimte wint

Wat een troosteloos gevoel overvalt me als ik de leeggeruimde kerk binnen loop.
Eigenlijk om de tentoonstelling van schilderijen te bekijken die er tijdelijk hangt.
Maar de sacrale ruimte wint het volledig van de kunst.

Nu de banken weg zijn, het orgel verdwenen, de altaartafels bloot gelegd, de wierook opgelost, is het gebouw volledig onttoverd, zou je denken.  Maar dan nog blijft het door zijn vorm, door zijn hele gedaante een kerkgebouw, dat gewond ligt te wachten. Niet meer op genezing. Want er zullen geen missen meer worden opgedragen, Latijnse gebeden gepreveld of gregoriaans gezangen klinken. De toekomstige bestemming weet ik niet, heb ik verdrongen misschien. Appartementen of een sportcentrum?

IJdelheid

‘Lucht en leegte, alles is leegte,’ zegt Prediker in de nieuwe Bijbelvertaling. ‘IJdelheid der ijdelheden. Alles is ijdelheid,’ heette het vroeger. ‘Voor alles wat gebeurt, is er een uur (…) een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen.’


Dat zal wel zijn. Maar als ik het glas in loodraam zie van Jozef, Maria en hun jongen met er onder de tekst ‘Ik zal de huisgezinnen zegenen’. Dan denk ik: dat zie je nooit meer terug. Het mooie schilderij van Huub de Kort er onder, laat eerder een gefragmenteerde samenleving zien. (Sorry Huub, ik heb expres jouw titel niet gezocht.)


En boven, waar eens trots het orgel pronkte en een koor kon zingen, hangt nu een schilderij waar het licht door talloze venstertjes lijkt te filteren. Mooi, symbolisch, maar wat zou ik graag die zware orgelklanken weer horen galmen in deze eens gewijde ruimte.


Achter een dik gordijn verscholen ligt nog de kapel waar pastoor Harm Schilder zijn omstreden ochtendmis opdroeg, na veel vroeg klokgelui. Met die fantastische afbeelding van de devote Margarita Maria Alacoque, de patroonheilige van deze Tilburgse kerk. Tegenover haar een knielende engel en boven hen uit zwevend de Christusfiguur met zijn heilig hart.
Hoe lang nog?

Arnold Verplancke


zaterdag 28 oktober 2017

Taalmonumenten in Zuid-Afrika


Fier op de eigen talen

Waar vind je nog een taalmonument? Ik bedoel niet een rij woordenboeken, maar een echt heus groot stenen taalmonument?

Niet in Nederland in ieder geval want zo fier zijn we niet op onze taal.
Iran komt dichtbij met zijn bewondering voor de middeleeuwse Perzische dichters. Kinderen leren er hun mooie zinnen nog. En veel binnenlandse toeristen en bruidsparen bezoeken de  grootse mausolea, waar hun dichtregels in steen staan gebeiteld.

Maar een taalmonument? Het monument voor de NEDERLANDSE  taal is te vinden in Zuid-Afrika. Nee we hebben het niet bezocht, want het was te ver uit de route. Het standbeeld staat in het stadje Burgersdorp en heeft als motto ‘De overwinning van de Hollandsche taal’. Het is een vrouw die de taal verbeeld en ze is opgericht in 1893 toen het Nederlandse de officiële taal was in de Kaapkolonie. In de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) werd het door de Britten deels verwoest en verwijderd. Maar als teken van verzoening zetten ze er 1907 een replica terug. Tot het oorspronkelijke beeld – vernield en onthoofd – in 1939 werd terug gevonden op een vuilstort. Ook dat werd er bij gezet, in de schaduw van de replica. Symbolisch voor ‘De Overwinning der Hollandsche Taal’ zoals staat op het boek dat de vrouw in de hand heeft.

Dat is het eerste taalmonument.

Maar Zuid-Afrika heeft nog een tweede, namelijk bij het stadje Paarl, hoog op de berg. Dat is gewijd aan de ‘Afrikaanse taal’.


Het is een prachtig abstract bouwwerk uit 1975, bestaande uit meerdere zuilen, waar het goed toeven is. 

Aanvankelijk was het bedoeld als monument om te vieren dat het Afrikaans al een halve eeuw werd erkend als afzonderlijke taal naast het Nederlands.



Het moderne Zuid-Afrika  legt nu meer de nadruk op de invloeden van alle talen op het Afrikaans: de verschillende Europese (Nederlands, Portugees, Duits en Engels), de Afrikaanse talen (Khoi, Xosa, Zulu, Sotho), maar ook het Maleis. Zuilen versmelten en  vormen overbruggingen.


Achter het grootse bouwwerk (waarvan de hoogste ‘vinger’ 57 meter lang is) is een schaduwrijk bosje te vinden met veel Afrikaanse gedichten. Een mooie plek voor reflectie en overpeinzing.



Het uitzicht vanaf het Taalmonument.



Hoe meet je honger?

Publicatie:                Boekje over Malawi
Publicatiedatum:      voorjaar 2006
Omschrijving:           verslag tweede (werk)bezoek aan Malawi

(delen uit dit verhaal zijn tevens als serie van vijf verschenen in het Brabants Dagblad tussen 12 en 24 januari 2006)



Hoe meet je honger?


Door Arnold Verplancke

Ja, daar zit ik dan. In mijn eentje op het vliegveld van Addis Abeba, op doorreis naar Malawi. Vorige maand liep ik hier ook, maar dan met een hele groep studenten. Nu alleen, om in dat Afrikaanse land - waarvan ik een half jaar eerder nooit had gehoord – twee noodhulpprojecten te begeleiden. En natuurlijk ook om na te gaan of de gelden die we in Nederland inzamelen, wel goed worden besteed.

Zelf geloof ik in de opzet van stichting Het Goede Doel: zeer directe kleinschalige hulp. Buiten de overheidskanalen of grote hulporganisaties om. Rechtstreeks naar de mensen in Malawi, met behulp van enkele zeer betrouwbare handlangers, zoals Veronica Kuchikonde, onze onmisbare vrouw in Blantyre, Chepeth Kalawa, priester in Mangochi, Francis Manjanja, schoolhoofd in de beruchte wijk Ndirande van Blantyre.

Ik besef dat het moeilijk is om op zijn enorm grote school 8000 kinderen ‘s ochtends pap te gaan geven als ontbijt, tot de nieuwe oogst komt in april 2006 en de ergste hongersnood voorbij is. Maar ik wil me vooralsnog niet gewonnen geven aan sceptici die stellen dat het voeden van zoveel kinderen een onmogelijke klus is. Of dat het toch niets uithaalt enkele duizenden kinderen en volwassenen te helpen tussen die miljoenen hongerenden. Of dat het land te corrupt is om maandenlang de armsten in twee dorpen van maïs te voorzien, hun basisvoedsel.

Ik ga ervan uit dat het kan, móet kunnen. Niet dat ik zo goedgelovig ben, integendeel, mijn beroepsmatige wantrouwen verlaat mij nooit. De grondhouding van een goede journalist blijft argwaan. Maar juist in dat vak ervaar je ook dat de wereld wel maakbaar is, zolang je maar niet verder reikt dan je polsstok lang is.

Terug in Nederland na onze eerste Malawi-reis bleken alle activiteiten zo goed aan te slaan dat er voldoende geld te verwachten was voor de voedselprojecten op de school en de twee dorpen. Al snel ontstond ook de behoefte er dicht op te zitten in Malawi die eerste weken, om zo goed mogelijk mee te sturen vanaf de start. De keus viel op mij, niet omdat ik eerder als ontwikkelingswerker zou hebben gefunctioneerd, juist helemaal niet, maar omdat ik (als jonge vutter) over tijd en geld beschikte, over het nodige organisatievermogen en buitenlandervaring.

Een van de kranten waarvoor ik in het verleden werkte, vond het bovendien wel interessant om van mijn belevenissen een serietje te maken. Daarom doodde ik in de vertrekhal van Addis Abeba de tijd met nog eens te noteren hoe het allemaal zo gekomen was.



Noodkreet

Het begon met een vergadering bij kaarslicht. Of nee, natuurlijk met een noodkreet. Mr. Francis, hoofd van de school, belde dat honderden van zijn 8000 kinderen honger leden. Het was toen pas oktober. De hongerwinter voor Malawi moest nog beginnen.
Met de groep van de Tilburgse universiteit maakten we een studiereis door het Afrikaanse land, toen die wanhoopskreet klonk. Een paar avonden later reden we al naar mr. Francis toe om te praten, onder leiding van Ralf Bodelier, aanvoerder van de studiereis en van stichting Het Goede doel, die al eerder twee klaslokalen bouwde voor de school.

Het bleek een bizarre ontmoeting die avond. Met een kaarslantaarn haalde het schoolhoofd ons van het minibusje. Hij moest het zonder elektriciteit doen in zijn huis, dat op het schoolterrein staat. Stroomstoring? Welnee, de hele school van 8000 leerlingen  zat zonder stroom. Te lang geen rekeningen betaald.
Dus vergaderden we in het donker bij kaarslicht in zijn kamer, waar de zuurstof zo schaars werd, dat iedereen wegsufte. Gauw een raam open. De frisse wind rukte een grote kartonnen reclameplaat van de grauwgrijze muur. Die kwam hard aan.

Ongeveer 700 leerlingen leden al honger, vertelde hij. Dat betekende concreet: dagen niet eten. Het studiegroepje ontpopte zich tot actiecomité. Met als vraag: hoe helpen we deze hongerende kinderen de winter door, tot de nieuwe oogst voldoende voedsel kan brengen?
Verstrekken we voorlopig die 700 kinderen een maaltijd op school? Over een paar weken zijn het er misschien 2000 die onvoldoende eten krijgen thuis. Het voedsel raakt op voor mensen die bijna geen geld hebben. De prijzen stijgen. Weeskinderen – en dat zijn er veel in dit door AIDS geteisterde land – hebben al helemaal geen kans. Wie geef je wanneer een maaltijd op school? Hoe meet je honger?

De conclusie lag voor de hand: aan álle 8000 kinderen elke ochtend maïspap uitdelen op school, zolang de hongerperiode duurt, dus minstens tot eind maart.
Een prima idee. Maar heel ambitieus. Dat bleek ook toen we spraken met het World Food Program van de VN in Blantyre. Dat waagt zich alleen aan scholen op het platteland met maximaal 2000 leerlingen. Niet in een beruchte stadswijk, zoals wij, met 8000 kinderen tussen 6 en 18 jaar die allemaal nog de primary school, zeg de basisschool, bezoeken. Dat er zoveel ouderen op zitten, betekent dat ze later aan school zijn begonnen, of dat ze door familieomstandigheden een paar jaar hebben verzuimd. Bijvoorbeeld als hun ouders overlijden, of schoolmeisjes die zwanger raken.

Al die 8000 kinderen krijgen les op een uitgebreid schoolterrein met slechts 34 kale lokalen. Dat betekent dat veel groepen in de openlucht onderwijs volgen, in de schaduw van een enkele boom of in de volle zon.


De ongeveer 100 leerkrachten werken met enorm grote groepen. Ik zag een keer veel meer dan 200 kinderen in één lokaal, zittend op de grond, bij gebrek aan tafels en stoelen. Een onderwijzeres die mijn verbazing zag, vertelde me vergoelijkend dat het hier wel om twee klassen ging, die even waren samengevoegd.

Dat was een maand geleden. Nu vlieg ik van Addis Abeba via Lilongwe naar Blantyre, de grootste stad van Malawi. Daar hoor ik van Veronica dat de projecten inderdaad net zijn gestart. De eerste voorraden maïs zijn als voedsel naar de dorpen gereden, inclusief zaaigoed voor de nieuwe oogst, zodat de arme dorpsbewoners straks hopelijk weer op eigen benen kunnen staan. Op de school is het koken van pap voor de kinderen begonnen, hoewel de keuken die we er neerzetten nog in aanbouw is en juist de grote vakantie voor de kinderen is aangebroken. (Het schooljaar start pas begin januari.) Niettemin komen duizenden kinderen opdagen om in ieder geval één maaltijd per dag te bemachtigen.


De maïs

De eerste ochtend heb ik nodig om bij te slapen van de lange reis, maar diezelfde dag rijd ik al naar de school om de situatie te bekijken. Op het schoolterrein zie ik al een grote stapel brandhout en grote kookpotten, die dezelfde ochtend weer zijn gebruikt.

Als mr. Francis een metalen traliedeur opent, ligt daar de verborgen schat: ontelbare zakken maïs in dit door honger geteisterde land. Bedoeld om de schoolkinderen vijf maanden ‘s ochtends een bord pap te geven. Betaald met giften van Nederlanders op de rekening van Het Goede Doel in Tilburg: 1280 balen maïs van 50 kilo om precies te zijn, een voorraad voor de hele hongerwinter.




Dat was trouwens nog een moeilijke beslissing. Koop je ineens 1280 balen, of koop je in de tijd gespreid kleine partijen? In het buitenland, of op lokale markten, met het risico de prijs op te drijven? Het opslaan van zoveel maïs ineens, lijkt vragen om moeilijkheden. Neem het iemand maar eens kwalijk als hij de schoolvoorraad plundert, omdat zijn gezin honger lijdt. Anderzijds, in de maanden tot de nieuwe oogst neemt niet alleen de honger toe, maar ook de prijs van maïs.
Toen we de knoop doorhakten om toch zo snel mogelijk de voorraad voor vijf maanden op verschillende lokale markten te kopen, wisten we wat ons te doen stond: bewaken die handel.

Ik zie de getraliede ramen en deur van dit schoolgebouwtje. Het blijkt bedoeld als bibliotheek en is dankzij een christelijke hulporganisatie gebouwd. Maar boeken ontbreken. Het geld daarvoor bleek verdwenen voordat het de school bereikte.
In ontwikkelingslanden gaat de helft van de verhalen niet voor niets over corruptie. Wij kunnen de versterkte ruimte nu goed gebruiken voor de maïs, de noten en bonen die ook door de maïspap gaan, balen suiker en zout die eveneens tot de kostbaarheden behoren.

Maar tralies houden inbrekers niet weg. Om die af te schrikken zijn bewakers nodig. Een paar ‘lokale’ bewakers per nacht: vaders van schoolkinderen die we voorzien van alarmfluitje, knuppel en kapmes. Griezelig als je ze in het donker ziet staan met het maanlicht blinkend op hun mes en hun witte tanden. Bovendien moet er elke nacht een politieman worden gehuurd en betaald. Hij patrouilleert in camouflagepak en met een geladen pistoolmitrailleur.

Overdreven? Luister hoe mr. Francis en Veronica vertellen over die eerste avond toen ze met heel veel geld bezig waren op lokale markten maïs te kopen voor onze afgesproken prijs. Hoe hun auto werd klem gereden door een vrachtwagen vóór en een personenauto achter. Hoe zij door een snelle reactie de vrachtwagen omzeilde, door tuintjes scheurde op weg naar een politiebureau. Hoe de politie laconiek reageerde en bijna zei dat het hun eigen schuld was, zonder politiebewaking, met zoveel geld. Dat ze dus toch maar twee gewapende politiemannen inhuurden, voor 2300 kwacha, pakweg 16 euro samen, om maïs te kopen. Niks overdreven dus.

De traliedeur zelf gaat potdicht met twee grote koperen hangsloten. Van prima kwaliteit. Dat blijkt als de vrouw van mr. Francis een paar dagen later een sleutel kwijt raakt. Francis en een paar van zijn onderwijzers proberen het hangslot te forceren door er met een hamer op te timmeren. Ik kijk toe en hoop dat het niet lukt. Anders zou elke inbreker met een hamer naar binnen kunnen. Gelukkig, dat gaat niet. Een onderwijzer komt met een lange spijker en probeert met hamer en spijker het slot binnen te dringen. Lukt evenmin. Het is nog geen negen uur in de ochtend, maar hun overhemden zijn nat van het zweet, hun gezichten glimmen in de zon. Na een kwartiertje komt de verlossing, bestaande uit een enorme pikhouweel van de bouwvakkers die bezig zijn met de bouw van de keuken. Het slot buigt voor dit bruut geweld. Nog geen vijf minuten later komt de vrouw vertellen dat ze de sleutel terug gevonden heeft. Hij was los geglipt uit de knoop die ze in haar rok had gelegd.

Pap koken

De eerstvolgende schooldag is het zover. Om half vijf ’s ochtends, terwijl de zon opkomt, rijden we naar de school om te zien of het lukt: al die schoolkinderen pap geven.
In alle vroegte sjouwen twee vaders zware kookpotten vol water naar een nooit voltooid klaslokaaltje. Dat dient voorlopig als keuken. Geld om het lokaal af te bouwen ontbrak, of beter gezegd, bleek weer eens spoorloos verdwenen, zoals in ontwikkelingslanden zo vaak gebeurt. De keuken die Het Goede Doel uit Tilburg neerzet, vordert, maar is dan nog niet klaar. Dus voorlopig branden de houtvuurtjes tussen de halve spookmuren.

De ochtend begint vroeg in Malawi. Om 5 uur is het al licht en lopen talloze mensen op straat. Naar een minibusje als ze ver moeten rijden naar hun werk. Nog even naar een klein akkertje in de buurt waar ze iets verbouwen. Of naar de markt waar ze hun povere handel proberen te verkopen. Vrouwen met tassen, teilen, manden en kratten op het hoofd trekken langs doorgaande wegen.

In de Ndirande school zijn acht moeders en enkele vaders dan al begonnen pap te koken in tien grote potten. Water, maïsmeel, aardnoten, bonen, suiker, zout: daaruit ontstaat een best smakelijke en verrijkte maïzenapap.




Koken gebeurt op hout, dat is niet goed voor het milieu, maar overleven gaat nu even vóór. Om half zeven stroomt het hele schoolterrein vol met kinderen, ondanks de grote vakantie. Ze weten dat ze ontbijt krijgen, voor velen hun enige maaltijd die dag. Onafzienbare rijen kinderen wachten netjes op hun beurt. Bakjes, bordjes, mokken in de hand. Ordelijk, zolang de tientallen leerkrachten de wind er onder houden, soms dreigend met lange stokken. Het is ontroerend te zien dat het lukt: een hele school te eten geven. Tegen alle scepsis in.

Als de onderwijzers niet meewerken, ontstaat al gauw een chaos van ontelbare hongerige kinderen die proberen tussen alle lokalen door eerder bij de pap te komen. En een keer werken ze niet mee. Dan houden tientallen leerkrachten een soort protestactie. Ze komen in hun vakantie terug om orde te houden en hadden verwacht daarvoor apart betaald te krijgen. Het schoolhoofd was daar aanvankelijk een beetje vaag over geweest. Maar ik zeg hem er niets voor te voelen hen te betalen. Of ik dat dan maar even aan zijn leraren wil gaan vertellen….

Zo sta ik die eerste ochtend al tegenover pakweg zeventig leerkrachten uit te leggen dat mensen uit  Nederland geld geven om hún schoolkinderen te voeden, kinderen die ze helemaal niet kennen. Het minste wat ik dan van hen mag verwachten is dat ze vrijwillig en gratis meewerken om hun eigen schoolkinderen eten te laten krijgen. Gemor en teleurstelling bij de meesten. De andere dag dus een soort protestactie, die chaotische trekjes krijgt.

Ouderwetse Nederlandse duidelijkheid dan maar. Ik vertel dat we het hele project moeten stilleggen tot de school weer begint, als de leerkrachten niet goed meewerken. Chaos kunnen we niet hebben. Het werkt. Met de dag groeit het aantal ‘vrijwilligers’, tot we een week later al op het riante aantal van zestig zitten. Die overigens met Kerst wel een eenmalig bedragje zullen krijgen als bedankje, maar dat weten ze dan nog niet.

Een kennismakingsgesprek met de DEM, de onderwijsinspecteur van het district en tevens ‘baas’ van mr. Francis, verloopt uitstekend. Hij toont zich enthousiast over het schoolhoofd, over onze hulp bij de bouw van lokalen en nu helemaal over ons voedselproject. Hij tekent graag een samenwerkingsovereenkomst en belooft het project in de gaten te houden. Een geschikte man. Eerlijk volgens mr. Francis, goedbedoelend, maar zonder budget. Als er iets ontbreekt op een school kan hij dat constateren, registreren, rapporteren, van alles. Maar niet repareren of installeren. Geen geld.

Water

Terug naar de school. Water in de nieuwe keuken? Nee, niet aan gedacht. En de keuken is al volop in aanbouw. Metalen palen dragen het golfplaten dak al, de fundering voor de muren is gemetseld. Met het schoolhoofd staan we aan het eind van de vrijdagmiddag te kijken. De bouwvakkers net weg.
Nee, aan waterleiding naar de nieuwe keuken voor zijn school is niet gedacht. Mr. Francis heeft als amateur ook maar een simpel ontwerp gemaakt. Maar nu kan het nog, constateren we, snel waterleiding aanleggen voordat de bouwers verder gaan metselen. Dit weekend moet een loodgieter aan de slag. Enkele tientallen meters verder water aftappen. Leidingen leggen, naar de keuken, kranen aanbrengen, noem maar op.



In een ontwikkelingsland als Malawi blijkt dat mogelijk: kleine zelfstandigen werken het weekend door. Maar het schoolhoofd even niet. Hij is Zevendedagsadventist, dat betekent dat de zaterdag voor hem de Dag des Heren is, waarop hij beslist niet werkt.
OK, dan doen we het zelf wel, die blanke man en zijn onvolprezen lokale medewerkster Veronica. We vinden op zaterdagmiddag een loodgieter, nemen hem mee naar de school. Hij becijfert hoeveel pijpen en fittingen hij nodig heeft en rekent als arbeidsloon ongeveer 45 euro voor de gehele opdracht. Met hem rijden we naar een markt om de materialen te halen: voor 120 euro zijn we klaar, inclusief transport van de pijpen naar de school.

Maandag blijkt weer dat kleinschalige projectjes wel degelijk werken: als de bouwvakkers ’s ochtends vroeg komen, steken er twee waterleidingen uit de grond met kranen, die zij vervolgens keurig kunnen inmetselen.

Water is van vitaal belang in een land als Malawi. De hele hongersnood is grotendeels terug te voeren op de droogte en een verkeerde meteorologische inschatting van het begin van het regenseizoen 2004. Daardoor mislukte de oogst in 2005 faliekant.
Ook als de keuken er staat, met kranen en al, blijkt het waterprobleem hardnekkig. Regelmatig vallen in Malawi stroom en water uit. De elektriciteit hapert meestal maar voor enkele uren, de watervoorziening soms voor dagen. Zo ook bij de school. En dat betekent geen pap.

Tenzij we improviseren en jerrycans en emmers lenen in de hele wijk, water tappen in de buurten waar de leidingen wel werken en die voorraad naar de school rijden in busjes. Weer een les: snel grote vaten aanschaffen om water op te slaan als reserve, voor straks als het water weer uitblijft.

En dat in een land waar eenvijfde van de oppervlakte bestaat uit een groot meer en een rivier. Dat zou toch anders moeten kunnen.


Honger

Het contact met Nederland bestaat uit een paar telefoontjes en veel mailverkeer. In Blantyre zijn heel wat internetcafé’s te vinden. Als de stroom niet uitvalt en je voldoende geduld hebt om de trage verbindingen te doorstaan, lukt het prima.
Of er echt iets te merken is van de hongersnood, vragen ze in Nederland. Tja, ik kan niet zeggen dat ik dagelijks over lijken stap, zoals mijn vrouw jaren geleden als journaliste in India. Ook de vreselijke beelden van vroeger uit Ethiopië zie ik nog niet, van die uitgemergelde stervende kindjes met vliegen overal op het gezicht. Gelukkig niet. Wel  kindjes met bolle hongerbuikjes en holle ogen. Wel apathische mensen die in dorpen op de grond zitten en eindeloos en uitzichtloos voor zich uit staren. Honger slaat mensen lam.

Uit The Nation, een prima krant, citeer ik voor Nederland wat details over de honger in het land. In het uiterste zuiden van het land, Nsanje, eten mensen nu in sommige dorpen bittere boombladeren omdat er niets anders is. Elders, in de buurt van de Shire rivier proberen ze wortels van waterplanten op te duiken. Maar dat is een soort Russische roulette omdat er nogal wat krokodillen zitten. Ook de bruikbare boombladeren raken op. In de buurt van Salima proberen mensen in de dorpen zich te voeden met bamboezaad of mango’s als ze die kunnen vinden, of met termieten.

Voor pakhuizen van Admarc - de landbouworganisatie van de overheid die maïs verkoopt tegen vaste lage prijzen - bivakkeren dagenlang mensen wachtend op de gratis maïs die er voor de armsten zou zijn. Maar de pakhuizen blijken veelal leeg. Corrupte medewerkers verkopen veel maïs via de achterdeur aan opkopers. Nee van de overheid moet je het niet hebben.

Het Malawi Vulnerability Commitee schat per 1 december 2005 dat er zeker 4,7 miljoen inwoners (van de officieel 12 miljoen) voedselhulp nodig hebben, omdat ze anders te weinig eten krijgen, ook gerekend naar de Afrikaanse maatstaven. Maar de hongersnood is dan nog niet op een dieptepunt. Bij de pakhuizen moet de politie al schieten om de massa in bedwang te houden. Een paar jongens verhuizen met schotwonden naar het ziekenhuis.

Als ik dat lees, kan ik alleen maar trots zijn op ons project. Ontroerd kijk ik naar de schoolkinderen die pap krijgen en even ontroerd naar de armste vrouwen in de dorpen waar we elke keer maïs uitdelen. Uit de balen maïs krijgen ze een emmertje vol, dat wordt omgekiept in hun omslagdoeken. Ze knopen de doek dicht en weten dat ze met hun gezin weer dagen vooruit kunnen. Op die manier helpen we op dat moment 1500 dorpelingen, naast de 8000 kinderen. Het is een vorm van noodhulp, zeker. Structurele verbetering is voor de lange termijn belangrijker. Daar gaat steeds de discussie over, met Nederlanders wel te verstaan. Niet met Malawianen en zeker niet met de betrokkenen. Die dansen en zingen uit dankbaarheid en schudden zo graag je hand dat je er verlegen van zou kunnen worden.




De twee dorpen heten Nduta en Mkanda, zoek ze niet op een kaart. Het zijn verzamelingen van huisjes en hutten in respectievelijk de districten Balaka en Thondwe. Huisjes van zelf opgewarmde kleisteen en een golfplaten dak, hutten van nog simpeler makelij en een schamel rieten dek waar de zon evenzeer doorheen sijpelt als de regen. Overal ronde rieten korven voor de opslag van maïs, nu helaas gapend leeg. In een dorp als Nduta hebben veel mensen geen eten meer. Hoe ze daar overleven? Zoeken in de omgeving of ze ergens mango's kunnen vinden. Als ze geluk hebben een keertje meewerken aan de nieuwe weg en met dat geld naar de veraf gelegen markt lopen. En hopen op het buitenland.

Een hutje kan zo klein zijn dat je nauwelijks durft draaien met je bescheiden rugzakje. Een kleine, kale, donkere ruimte, een half muurtje en daarachter een nog kleiner plekje. Zelfs geen slaapmatjes. Een vrouw woont er met vier mensen. De weinige bezittingen in plastic zakken aan spijkers opgehangen. De associatie met een varkensstal komt even op, maar is misplaatst, daarvoor is het te aangeveegd: een net mensenstalletje.


Landbouwvoorlichting

De bouw van een keuken op school valt overigens onder structurele hulp en die zal daarom kunnen rekenen op medefinanciering door Cordaid.
Ook onze inzet voor een veelzijdiger vorm van landbouw en van voedseldiversificatie past in de structurele categorie.

Malawianen verbouwen en eten vooral maïs. Die eenzijdigheid is noch goed voor de economie (de maïsteelt vreet kostbare kunstmest), noch voor de grond, noch voor de gezondheid. Daarom verstrekken we in de twee dorpen niet alleen maïs om te eten, maïszaad en kunstmest voor de nieuwe oogst, maar ook zaad voor andere gewassen, zoals aardnoten, bonen, erwten, cassave.

Sommige critici vrezen dat zoiets niet werkt, omdat gewone Afrikanen niet weten waarom en hoe ze die nieuwe gewassen moeten verbouwen. Een landbouwvoorlichter zou hen terzijde moeten staan.

Zelfs dat blijkt voor een kleine Tilburgse hulporganisatie haalbaar. Namens Het Goede Doel vond ik in Malawi een landbouwdeskundige. Die heb ik voor vier maanden kunnen aanstellen. Tot de nieuwe oogst zal hij fulltime in de twee dorpen mensen instrueren hoe ze met de nieuwe gewassen moeten omgaan, maar eveneens hoe ze de maïsoogst kunnen verbeteren. Kosten? Een goede 100 euro per maand aan salaris.

Wil hij in een vreemd dorp met het nodige gezag aan de slag gaan, is het nuttig dat de blanke man uit Nederland hem introduceert, zo krijg ik te horen. Dus sta ik voor een bonte verzameling dorpelingen in het Engels – met een tolk naast me - te vertellen dat het van groot belang is wat deze nieuwe medewerker komt doen. Een hele week in het ene dorp en dan een hele week in het andere dorp. Om hen aan een betere oogst te helpen en minder kwetsbaar te maken voor de droogte en de dure kunstmest. Het blijkt te werken, hoor ik achteraf.

In de dorpen heersen vreemde ideeën over blanken. Natuurlijk gelden ze allemaal als steenrijk. Zo worden blanken geboren: rijk, daar hoeven ze niets voor te doen. Hun wordt gezag toegekend en hulp gevraagd. Zo riep op de eerste reis een moeder de hulp in van een paar van mijn reisgenoten om haar gehandicapte kindje te laten opereren. De beentjes bleken vergroeid. Dat kostte 150 euro, een kapitaal naar Malawiaanse begrippen, maar gemakkelijk te betalen naar Europese. Dus mijn reisgenoten zegden dat bedrag toe en Veronica zou voor de uitvoering zorgen.

Helaas, toen ze een week later het kind kwam halen om naar het ziekenhuis te brengen, kreeg ze het niet mee. De ouders hadden zich bedacht, omdat ze bang waren dat de blanken hun kindje zouden opeten. Dat doen ze immers, blanken, zwarte kindjes opeten.
Het heeft haar veel moeite gekost om met behulp van het dorpshoofd het kind én moeder toch mee te nemen naar de grote stad, w aar de blanken overigens al lang vertrokken waren.

Oplichters

In ons streven naar zoveel mogelijk structurele hulp, beraden we ons ook op de voedselvoorzienig op de school. Het zou mooi zijn als ons project niet eind maart eindigt, maar een structureel vervolg krijgt doordat een andere organisatie het overneemt. Los van de - hopelijk tijdelijke - hongersnood, is het immers heel belangrijk dat kinderen dagelijks een ontbijt krijgen. Dat bevordert de concentratie beter dan een lege maag. Onderzoeken tonen zelfs aan dat regelmatige voeding niet alleen ten goede komt aan de leerprestaties maar aan de ontwikkeling van hersenen in de groei.

Bij het kantoor van World Food Programme (VN) vragen we welke non-gouvernementele organisatie wellicht in aanmerking komt ons project te continueren. We krijgen er twee op een blaadje. Ze zeggen ook schoolkinderen eten te geven. Daarvoor krijgen ze donaties binnen, zelfs uit Europese landen.
Helaas beweert één ervan, volgens het WFP-verslag, weeskinderen van maïs te voorzien op ‘onze’ school in Blantyre. Niets van waar dus! Gelogen! Alleen maar om geld in te zamelen voor zichzelf of voor eigen activiteiten. Wanneer de gelovige hoofdonderwijzer hiervan hoort, huilt hij geschokt: ‘It’s a sin, a big sin’.

Even laat mr. Francis zich gaan in een jammerklacht: “Wij Afrikanen zijn niet eerlijk. Wij willen onderuit zitten en geld opzuigen. Als het iemand anders goed gaat, zijn we jaloers. Gaat het een ander slecht, dan zijn we blij.” Zijn uitspraak zal voorspellende waarde krijgen.

Dan de tweede organisatie. We gaan er op bezoek. Vragen voor alle zekerheid of de directeur de eerste kent. Nee, nooit van gehoord, noch van de club, noch van de  vrouw die de leiding heeft. De directeur vertelt over de scholen waar zijn organisatie al eten geeft, over de scholen waar hij de komende dagen start. Naast hem zit een oude man, net overgekomen uit Engeland.
We checken zijn beweringen en ze deugen van geen kant. De vrouw van de eerste organisatie, die hij beweerde niet te kennen, blijkt een nicht van hem. De scholen waar al voedsel wordt verstrekt, krijgen dat van een andere organisatie dan de zijne. In de scholen, waar hij zegt onmiddellijk te beginnen, gebeurt de weken daarna niets.
Hij wil zo snel mogelijk ons project overnemen, liefst morgen. Waarom, vragen wij ons later af. Waarschijnlijk om eigen wanprestaties uit het verleden toe te dekken, van hem en zijn nicht. Mogelijk omdat er net iemand uit Engeland komt kijken naar de besteding van zijn geld. Waarschijnlijk ook om onze kostbare maïsvoorraad in handen te krijgen. Oplichters zijn het.
Nee, voorlopig zetten we ons eigen kleinschalige project maar zelf door. Het werkt immers: rechtstreekse hulp.

Voldaan vlieg ik terug naar Nederland, met het goede nieuws.

Een week later brengt een telefoontje uit Blantyre nieuwe zorgen. Ons schoolhoofd, mr. Francis, wordt overgeplaatst naar een andere school, met vrijwel onmiddellijke ingang: het nieuwe school- en kalenderjaar. De reden? Iedereen in zijn omgeving weet het: wegens groot succes. Dat leidt tot jaloezie. Dat had hij toch zelf gezegd.

Als iemand succes heeft, worden mensen jaloers. En hij had succes: de Tilburgse stichting hielp hem klaslokalen bouwen, een keuken, een voedselproject gedurende de hongersnood.

Hij was eerlijk. Weigerde ‘chiefs’ en ‘headmans’ in de omgeving te laten delen in de maïs, gaf zijn eigen onderwijzers nooit een baal mee, zijn superieuren evenmin. Jaloezie en wraak: die leiden tot overplaatsing. Zijn eigen ‘baas’, de DEM, staat achter hem, maar kan de overplaatsing niet tegen houden, zo laat hij weten.

Improviseren hoort er bij. Dat betekent dat we de maïsvoorraad weghalen van de school zolang we het nieuwe schoolhoofd niet vertrouwen. Dagelijks zullen jongens van Veronica met  een paar balen naar de school rijden, waar de koks en kokkinnen gewoon doorwerken en de kinderen dus ook hun pap zullen krijgen. Veronica en mr. Francis zorgen daar voor, ook al moet de laatste zich eigenlijk op een nieuwe school gaan richten.

Als sceptici stellen dat het moeilijk werkt in een corrupt land, hebben ze gelijk. Maar laat ze niet beweren dat het onmogelijk is. Samen kunnen mensen het.



HetGoede Doel
Giro 6213288 te Tilburg

vrijdag 20 oktober 2017

Jazz onder de wierook van bisschop Tutu

Zie mijn artikel in JazzNu over jazzrestaurant The Crypt in Kaapstad



Splinternieuw museum voor eigentijdse Afrikaanse kunst





Grootste kunstmuseum van Afrika


Bijna op het zuidelijkste puntje van Afrika, in Kaapstad, staat sinds kort het grootste kunstmuseum van dat continent. Het is een schokkende ervaring te wandelen door dit futuristische gebouw in een oude graansilo. Niet alleen door de fantastische wijze waarop een industriële silo is omgetoverd tot een kunstkathedraal. Maar ook door de inhoud van het getoonde. De slaventijd van dit continent komt soms gruwelijk dichtbij. Dat geldt evenzeer voor de bloedige interne oorlogen van de laatste decennia en de rol van zwarte dictators en geslaagde zakenlieden.



Het museum heet Zeitz MOCAA. MOCAA is de afkorting van Museum of Contemporary African Art. Er is uitsluitend werk van eigentijdse Afrikaanse kunstenaars te zien, ook van hen die over de wereld zijn uitgezwermd. Zeitz staat voor de Duitse zakenman Jochem Zeitz (van het sportmerk Puma) die zijn hele collectie Afrikaanse kunst als permanente bruikleen heeft geschonken. Die vormt het hart van de permanente expositie.

Dat het om een oude imposante graansilo gaat, zie je alleen aan de buitenkant nog. Binnen zijn de enorme betonnen opslagkokers schuin door midden gezaagd. Ze doen denken aan enorme orgelpijpen. De grote hal, die is uitgespaard, ademt daardoor de sfeer van een kathedraal. In het midden daarvan zweeft hoog boven het publiek een enorm zwart vogelmonster.



De slaventijd laat zich voelen in een simpel slavenregister dat de Zimbabwaanse Kudzanai Chiurai (1981) heeft geschilderd naar een origineel van bijna 200 jaar geleden. Slavinnen heten voor het gemak allemaal Lily of Martha. Het register houdt netjes bij of ze een of meerdere keren zijn gedeserteerd.



Ook de slavenbel van Sethembile Msezane (1991) uit Zuid-Afrika verwijst terug naar de slaventijd, de bel aan een gerafeld touw op de grond. Kaarsjes er achter.



De waaier van stalen houwelen doet denken aan de slavenarbeid waarvoor zwarten uit hun continent werden getransporteerd eeuwenlang. Door Europeanen en Arabieren. Het is een werk van Michele Mathison (1977) uit Zuid-Afrika.



Ook meer recente gruwelijkheden zijn te vinden in het werk van Kudzanai Chiurai uit Zimbabwe: een met hakmessen gedood en gemutileerd slachtoffer.



Of in de beeldengroep van Mary Sibande (1982) uit Zuid-Afrika. Een rode vrouwelijke ruiter te midden van soldaten en wilde dieren. Of de titel hoopgevend is bedoeld, mag iedereen zelf invullen: In the midst of chaos, there is opportunity



Arnold Verplancke

De foto bovenaan (vrouw met wasknijpers) is een werk van Zanele Muholi uit Zuid-Afrika (1972).



maandag 25 september 2017

De eerste concentratiekampen waren Brits


       Het afscheid: een Boerenstrijder neemt afscheid van vrouw en kind in 1899.


Meisje in Brits concentratiekamp 


Jongen in Brits concentratiekamp

Herinneringen aan de gruwelijke Boerenoorlog

Nieuwe generaties Nederlanders hebben geen benul van de Boerenoorlog. Hoe anders was dat rond 1900 toen hun voorouders trots en enthousiast achter de Boeren in Zuid-Afrika stonden in hun strijd tegen de Engelsen, die heel zuidelijk Afrika wilden inlijven bij het Britse imperium. De twee Boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat verdedigden zich zo fanatiek dat ze aanvankelijk aan de winnende hand waren.

Barbaars

Nog minder bekend zal zijn dat de enorme Britse legermacht alleen door 'barbaarse' tactieken konden winnen. Ze brandde alle boerderijen en oogsten van de Boeren plat, doodden of stalen het vee. De tactiek van de verschroeide aarde, letterlijk. En de Britten  brachten vooral vrouwen en kinderen onder in concentratiekampen. Nee, concentratiekampen zijn geen uitvinding van de Duitsers. De Britten hadden ze al begin vorige eeuw, al noemden zij ze anders; opvang voor ontheemden, ofzo. De levensomstandigheden waren zo gruwelijk slecht, dat meer dan 26.000 vrouwen en kinderen van de Boeren stierven aan honger, ondervoeding en ziekten. De zwarte knechten die de Boerenstrijders hielpen of moesten helpen in de strijd, wachtte hetzelfde lot. Ook zij, maar dan vooral ook hun vrouwen en kinderen, kwamen in (aparte) concentratiekampen terecht. Ook daar vonden zeker 20.000 mensen de dood.


De voet van het Vrouwenmonument

Zelfs in Engeland ontstond kritiek op deze 'barbaarse' wijze van oorlogvoering en met name op de onmenselijke behandeling van vrouwen en kinderen. Lady Mary Hobhouse bezocht de kampen en probeerde terug in Engeland steun te krijgen voor haar protest. Zij ligt begraven aan de voet van het Vrouwenmonument in Bloemfontein.



Dat monument vormt onderdeel van de Tuin Van Herinnering, die ligt bij het museum dat geheel is gewijd aan de Boerenoorlog (Anglo-Boer South African War 1899-1902). Het Vrouwenmonument eert de nagedachtenis van de ruim 26.000 Boerenvrouwen en -kinderen die stierven in de concentratiekampen en wier namen allemaal staan vermeld in de muren van de monumentale tuin. Het is een enorme naald die waarschuwend overal bovenuit steekt.

Schaamte

Waarom stonden de Nederlanders nog geen 120 jaar geleden zo massaal achter de Boeren? En waarom verdwijnt deze dappere strijd nu volkomen uit het collectieve geheugen? Stamverwantschap zal eind negentiende eeuw zeker hebben meegespeeld. Maar ook het gevecht van de Boeren-calimero tegen Britse imperialistische overmacht speelde mee, want ook omringende landen in West-Europa sympathiseerden sterk met de underdog.

Waarom vervaagt dit stukje geschiedenis? Mogelijk heeft het te maken met collectieve schaamte over de Apartheidspolitiek, ook een uitvinding van diezelfde stamverwante Zuid-Afrikanen en dan met name van de Nasionale Party. Via de politiek verwierven zij weer macht in het nieuwe Zuid-Afrika en voerden zij in 1948 officieel het systeem van rassenscheiding in. Mogelijk ook omdat het hele begrip stamverwantschap een verdachte klank kreeg na de Tweede Wereldoorlog.

Bloemfontein

Degenen die ondanks alles geïnteresseerd zijn in de Boerenoorlog doen er goed aan Bloemfontein te bezoeken tijdens een rondreis door Zuid-Afrika. Toegegeven, die stad heeft verder niet veel te bieden dan een aantal monumentale gebouw, enkele musea en dus de Tuin der herinnering met het Vrouwenmonument en het Boerenoorlogsmuseum. Maar die zijn dan ook zeer de moeite waard.

Buiten vormen de naald van het Vrouwenmonument, de indrukwekkende muren met de namen van de slachtoffers en enkele ontroerende imposante beelden een sterke opmaat voor het museum zelf.

     Sinds een aantal jaren besteedt het museum ook aandacht aan de slachtoffers onder de zwarte bevolking. In het museum is een speciale zaal ingericht en ook buiten is een   standbeeld verrezen voor de ' Agterryer', de zwarte knechten die mee moesten de oorlog in als helpers. 

Binnen zijn op enorme doeken, grote tegeltableaus en allerlei exposities de verhalen te vinden van de verrassende overwinningen van de Boeren en de slagen die zij het superieure Britse leger wisten toe te brengen. Maar ook hoe het verloop van de oorlog kantelde. Met afschrikwekkende foto's uit de concentratiekampen van uitgemergelde kinderen. Zelfs op het herentoilet volgt de geschiedenis je, met de afbeeldingen van de presidenten Kr"uger en Steijn van resp. Transvaal en Oranje Vrijstaat daar aan de muur.



Op de muren buiten staan wijze spreuken. "Dit monument staat dus hier, niet om haat aan te wakkeren, maar om de liefde te bevorderen; want ik voorzie de dag dat ieder deel van het Zuid-Afrikaanse Volk - van welke oorsprong het ook moge zijn - indien met de ware Zuid-Afrikaanse geest bezield, de deugden door dit monument vereeuwigd, als zijn gemeenschappelijke erfdeel zal beschouwen."


En iets verder op in (mijn) vrije vertaling: "Het tegengaan van geweld tegen vrouwen en kinderen moet bovenaan staan in ons culturele bewustzijn"

Arnold Verplancke

vrijdag 16 december 2016

Vertrek aangekondigd


Geen zwanenzang


Een nieuwe lente, een nieuw geluid.

Met deze dichtregel van Gorter snoer ik mensen graag de mond, als ze vragen waarom ik de komende lente ga stoppen als bestuurder van Pensioenfonds PGB. Het is geen dooddoener. Ik denk echt dat het goed is, op tijd plaats te maken voor inspirerend enthousiasme van een nieuwe bestuurder, van wellicht een generatie jonger.

Ik ben geen getallenfetisjist. Maar toch. Komend voorjaar hoop ik 72 jaar te worden. Dan ben ik 27 jaar actief in de pensioensector. Dat lijkt een vorm van omarmend rijm, die voor mij een verborgen betekenis in zich heeft. Zo van: het is goed geweest. Sluit nu maar af.

Anders in 1990
Het werk als bestuurslid van een pensioenfonds lijkt niet meer op dat van 1990, toen ik begon bij het Pensioenfonds van VNU, naast mijn dagelijkse journalistieke werk. Misschien eens per kwartaal, of iets vaker, reed ik naar Haarlem. Om bijgepraat te worden door een adviserend actuaris en een administrateur van het fonds. En om vervolgens enkele goed voorbereide besluiten te nemen. Daarna zat de vergadering er weer op. Ik overdrijf natuurlijk een beetje.

Al heel andere koek bleek het bij Pensioenfonds Wegener (APW), tien jaar later. Het aantal cursussen en studiebijeenkomsten nam toe. Evenals het aantal vergaderingen en de verantwoordelijkheid. Toen APW zijn vermogen in 2010 overdroeg aan het bedrijfstakpensioenfonds PGB, ging het om 800 miljoen euro.

Eind van de eeuw
De afgelopen zeven jaar zijn de eisen aan pensioenfondsbestuurders alleen maar zwaarder geworden. De Nederlandsche Bank beschouwt een pensioenfonds vooral als grote financiële instelling, met alle eisen die daarbij horen. Terecht, want het gaat inmiddels om ruim 23 miljard euro van uw pensioengeld. Voor uitkeringen die Pensioenfonds PGB tot voorbij het eind van deze eeuw moet kunnen doen.

Ik heb mijn vertrek aangekondigd, nu ik het bestuurswerk nog met plezier doe. Met alle  hardwerkende collega’s en medewerkers kan ik goed samenwerken. Ik schrijf graag columns voor u. Maar er komt een moment om de steven te wenden naar rustiger vaarwater. Een enkele onbetaalde nevenfunctie straks nog, wat vrijwilligerswerk en op zijn tijd een mooie reis. Dat is het perspectief waarvoor ik kies, na mijn afscheid van dit bestuurswerk.

Pensioengerechtigden
Mijn opvolger (m/v) in het bestuur zal ook weer de pensioengerechtigden vertegenwoordigen en het aandachtsgebied communicatie bestrijken. Vanuit de vakorganisaties en de Vereniging van Gepensioneerden (VVG PGB) zijn al kandidaten voorgedragen. Individuele pensioengerechtigden kunnen eventueel zelf ook een ervaren kandidaat voordragen, indien die de steun geniet van 500 van hen.

Alle kandidaten worden eerst intern getoetst door een gemengde toetsingscommissie van het pensioenfonds. Als meerdere kandidaten deze horde nemen, volgt een verkiezing door alle pensioengerechtigden. Uiteindelijk zal er één overblijven en worden beoordeeld door De Nederlandsche Bank. Die moet bepalen of de kandidaat ook in haar ogen geschikt is als bestuurder van een grote financiële instelling.

Dat zal de komende maanden gaan spelen. En dan?

Met een variant op het bekende gezegde: In mei leggen alle vogels een ei, alleen ik ben er dan niet meer bij. Dat weet het bestuur van Pensioenfonds PGB.

Toch is deze column nog niet mijn zwanenzang; nog niet mijn afscheid. De komende maanden kunt u nog op een paar nieuwe van mij rekenen.

Arnold Verplancke
bestuurder Pensioenfonds PGB

(column voor website van Pensioenfonds PGB)






maandag 28 november 2016

Oud en vervreemd




Is het leuk om iemand na ruim een halve eeuw weer te ontmoeten? Heb je als jongens voor het laatst samen gelachen. Zit je nu als bejaarde mannen tegenover elkaar. Mwah. Ongemakkelijk. Lastig. Echt niet alleen maar leuk.

Herinneringen ophalen lukt nog wel. Hoe we samen na een biertje hard meegalmden met Mario Lanza en zijn Drinklied uit de film Student Prince. Of hoe we dachten Elvis Presley te imiteren en indruk te maken op meisjes in petticoat.

Toeval
Maar het heden blijkt lastiger.
Het is ook puur toeval dat we contact krijgen. Hij ontmoet een neefje van mij met dezelfde achternaam. Heet jouw vader misschien Arnold? Nee mijn oom wel. Ach, dat zou leuk zijn.

En zo zit ik op een dag in een keurig opgeruimde doorzonwoning elders in het land. Met zijn vrouw erbij, thee en een koekje. Ja dat Drinklied kennen we nog wel, al zingen we het niet meer. Veel lol vroeger. Maar rond actuele onderwerpen ligt een mijnenveld. Zover blijk je uit elkaar gegroeid en van elkaar vervreemd.

Politieke onderwerpen kun je bij de thee misschien beter vermijden. Dus als hij komt op de ‘buitenlanders’ die overal de schuld van zijn, probeer ik nog even terug te keren tot het druilerige weer. Maar als die truc niet lukt, vraag ik hem toch voorzichtig hoeveel niet blanke of niet oorspronkelijk Nederlandse vrienden en kennissen ze eigenlijk hebben. Geen dus.

Meer kleur
Om het onderwerp iets meer kleur te geven, vertel ik over de reizen die mijn vrouw en ik maakten door landen als Syrië (voor de oorlog), Iran, Ethiopië, en India. Dat ik zelfs peetoom ben van een gitzwart zoontje van een Nigeriaanse moeder. Dat er natuurlijk ook slechte mensen zitten tussen de migranten, maar dat de meesten….
De voorbeelden vallen niet in vruchtbare aarde. Boos begint hij over zwarte Piet. Tactisch probeer ik nog te nuanceren. Natuurlijk voelt het niet leuk als oude Nederlandse tradities  verdacht worden gemaakt. Maar maak er niet zo’n punt van! Kinderen zijn ook blij met een Roetveegpiet, als ze maar kunnen zingen en cadeautjes krijgen.

Hij schudt nors zijn hoofd. Zijn vrouw helpt ons weer op gang: ‘Het zit hem ook allemaal zo dwars,’ licht ze toe. Ik knik begrijpend. ‘U bent toch ook met pensioen, of werkt u nog?’
Alle twee, antwoord ik en noem mijn bestuursfunctie bij het pensioenfonds.

Dat woord komt wél goed binnen. ‘Ja, blij dat ik altijd lid van de vakbond ben gebleven en pensioen heb opgebouwd. Naast onze AOW. Elke maand netjes op tijd op de giro. We kunnen er prima van rondkomen. Ja toch?’

Terwijl het miezert, zoek ik mijn auto op die een eindje verder staat. Niet helemaal voldaan over wat waarschijnlijk ons laatste gesprek is geweest. Ook niet over mijn onvermogen de kloof te dichten. In mijn hoofd hoor ik het eens zo opzwepende ´Drink! Drink! Drink!´ en `May young hearts never part!´

Arnold Verplancke