maandag 23 april 2007

Chinese boze geesten

Chinese boze geesten

Door Arnold Verplancke

Klopt het dat Chinezen meer bezig zijn met het weren van boze geesten en het gunstig stemmen van de demonen, dan met het vereren van goden? Ik vraag dat aan mijn vrouwelijke Chinese gesprekspartner, met wie ik als vrijwilliger wekelijks Nederlandse conversatie oefen.

Een beetje besmuikt beaamt ze de uitspraak, die ik overigens aantrof in een boek dat ik van haar heb gekregen: “Een hart van mandarijntjes”. Het onlangs verschenen boek verhaalt over de gruwelijke ervaringen van een Chinees gezin onder het juk van Mao en de ontsnapping van een deel van het gezin na barre omzwervingen en een levensgevaarlijke zwemtocht van acht uur over zee naar Hongkong.

Terloops vertelt het boek over de wierook die Chinezen branden bij de kleine altaartjes om boze geesten af te leiden. Dat klopt, bevestigt de Chinese vrouw me in Tilburg. Ze vult aan hoe Chinezen achthoekige spiegeltjes aan de voordeur van hun huizen hangen. Als de boze geesten daarin kijken, schrikken ze van hun eigen afgrijselijke tronie. Een paar dagen voor Nieuwjaar plegen Chinezen ook hun hele huis grondig schoon te vegen, om met het vuil de boze geesten eruit te jagen en zo in een volkomen reine omgeving het nieuwe jaar in te gaan.

Als ze mijn neutrale gelaatsuitdrukking ziet, vraagt ze verbaasd of ik niet in geesten geloof. Nee, zeg ik eerlijk. Waarom niet, wil ze weten. Omdat ik nooit een teken heb gezien voor het bestaan van geesten, probeer ik voorzichtig.

Dat begrijpt ze. Voor haar ligt dat anders. Ze heeft echt boze geesten gezien. En ze verhaalt hoe ze als achtjarig meisje thuis in Hongkong ziek lag. Haar moeder verzorgde haar. Plotseling zag zij een hele rij geesten in de kamer. Kale mannen, met alleen een bovenlijf. Ze bewogen zonder van hun plaats te komen. Haar moeder probeerde ze weg te jagen met een tak die voor het beeld van een godin had gestaan, daarbij waterdruppels zegenend in de richting van waar het kind de boze geesten zag. Maar de rij geesten bleef nog een paar minuten alvorens te verdwijnen. “Daarom weet ik zeker dat ze bestaan, ik heb ze zelf gezien,” zegt ze nu een halve eeuw later aan de andere kant van de wereld.

Even later valt het Nederlandse woord ‘ark’ naar aanleiding van de titel van een ander boek. Wat is een ark, wil ze weten. Ik leg dat uit en begin kort het bijbelverhaal van Noach en de ark te vertellen. “Ach, dat ken ik,” reageert ze enthousiast. “Dat is een Chinees verhaal. Van een man die van God hoort dat er heel veel water gaat komen en dat hij een boot moet bouwen. De overstroming zal beginnen als de ogen van de stenen leeuwen bij de tempel rood gaan bloeden. Daarom gaat de man elke dag bij de tempel kijken, maar er drupt nooit bloed uit de leeuwenogen. Een varkensslager ziet hem elke dag naar de tempel lopen en vraagt naar de reden. Als de man dat heeft verteld, haalt de slager een gemene streek uit. ’s Nachts wrijft hij de ogen van de leeuwenbeelden in met varkensbloed. De andere dag komt de man weer, ziet het bloed en weet dat hij met zijn familie en dieren in de grote boot moet kruipen. Dat doen ze ook en maar net op tijd, want zie…..de vloedgolf breekt los en verwoest alles, behalve de ark.”

Met stomheid geslagen hoor ik deze Chinese variant van de zondvloed aan. Voor de zekerheid zeg ik nog even dat het bijbelverhaal iets anders gaat, maar dat deze versie even mooi is.

Een hart van Mandarijntjes, geschreven door On-Chiu Cheung en Ping Fai Philippe Ng, Uitgeverij Van Halewijck ISBN 978 90 5617 758 4.

Geen opmerkingen: