dinsdag 30 juli 2013

Impressies Iran (3)

 Oude dichters als popsterren


Stel je voor: een man die ervan droomt ooit nog het graf van Vondel te bezoeken, zijn held van wie hij elke avond gedichten leest. Of een jong bruidspaar dat het huwelijk laat voltrekken vlakbij de tombe van De Genestet en daar al die toevallige bezoekers van de oude dichter trakteert op kleine gebakjes. Ondenkbaar. In Nederland kennen we Vondel, Cats en De Genestet alleen nog van de straten die naar hen zijn genoemd.

In Iran niet. Dichters staan in hoog aanzien. Ze krijgen een mausoleum. Hun tombe trekt elke dag talloze bezoekers. Op de muren van hun grafmonument staan hun gedichten geschreven op mooie helderblauwe tegels. Rond zo’n mausoleum ligt een mooi park. Jongeren kunnen meerdere werken declameren van de grootste dichters.

Let wel: we hebben het over poëzie die veel ouder is dan de teksten van Vondel en Cats. In de tijd dat onze voorvaderen het nog moesten doen met het bijna onherkenbare ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi’ (veelal beschouwd als de eerste ‘Nederlandse’ zin), had in Perzië Ferdosie (940-1020) zijn oeuvre al compleet. In de eeuwen na hem kwamen Omar Khayyam (1047-1123), Sa’di (1207-1291) en Hafez (1325-1389) om enkele grote namen te noemen. Volgens onze Iraanse vrienden verschilt hun taal nauwelijks van de hedendaagse en zijn hun gedichten mede daardoor nog zeer toegankelijk.

Dichtbundels vormen mooie cadeaus. Als geschenk voor haar verjaardag krijgt Joke van een man die we op het feest voor het eerst ontmoeten, een leren cassette met daarin – ook in leer gebonden - een verzameling gedichten van Khayyam, prachtig met prenten geïllustreerd. Met de oorspronkelijke tekst in het Perzisch en vertalingen in Engels, Duits en Frans.

Als mensen horen dat we ook Shiraz gaan bezoeken, verzekeren ze ons dat we de graven van Hafez en Sa’di moeten aandoen. Een ondernemer van rond de vijftig vertelt dat hij elke avond vóór het slapen poëzie leest. Sa’di blijkt zijn favoriet, die slaat hij geen avond over.
 

Hafez rust in een imposant open mausoleum, dat echt een trekpleister vormt voor de binnenlandse toeristen. Ze raken eerbieding de stenen tombe aan, poseren op allerlei plekken met de tombe of het mausoleum op de achtergrond.


Een jong bruidspaar met familie loopt  gebakjes uit te delen. Alsof er een popster begraven ligt in plaats van een dichter uit de middeleeuwen. In bijna elk Iraans huis is wel een bundel van hem te vinden. De verleiding is te groot: ook van hem gaat een mooi geïllustreerd boek met Engelse vertaling mee naar Nederland.
 

Elders in Shiraz staat het graf van Sa’di, eveneens in een mausoleum, maar in zijn geval een meer gesloten bouwwerk, mooi met versregels gedecoreerd. Ook dat trekt voortdurend binnenlandse en enkele buitenlandse toeristen, gewapend met camera’s en mobieltjes en menig dichtbundel in de hand.
 

Om jaloers op te worden, die eeuwige band met de eigen cultuur. Die lijkt onverbrekelijk, want ook nu nog bekennen dertigers en veertigers zonder schroom en zelfs trots, dat ze zelf gedichten schrijven en ze voor elkaar op muziek zetten.

 

 

 

maandag 29 juli 2013

Over vernieuwing en propaganda

Eigentijdse kunst in Iran


 Van Gogh, Bacon, Munch, Warhol, om maar een paar bekende kunstenaars te noemen uit de vorige eeuw. Veel van hun kostbare werken zijn verzameld door Farah Diba, de echtgenote van de laatste sjah van Perzië/Iran. Ze zijn ondergebracht in het Tehran Museum of Contempory Art. Tenminste, dat schrijft de goedgedocumenteerde reisgids Lonely Planet. De werkelijkheid kan er heel anders uitzien in de Islamitische Republiek Iran, zeker tijdens de maand Ramadan!

Iran biedt talloze prachtige historische monumenten. Het grote plein in Isfahan met zijn schitterend gedecoreerde moskeeën en  paleis uit de zeventiende eeuw, vormt het hoogtepunt van menig toeristische reis. Maar andere steden herbergen minstens zoveel pracht en praal ter ere van onvoorstelbaar rijke maar tijdelijke heersers van vroeger, of van de eeuwige god, of van zijn profeet en diens nageslacht. Toeristen met historisch gevoel mogen Persepolis en het nabijgelegen Necropolis en Pasargadae niet missen. Persepolis (letterlijk de stad van de Perzen) dateert van 520-350 vóór het begin van onze jaartelling. Sommige van de ruïnes hebben de oorlogen, verwoestingen en natuurrampen wonderlijk goed doorstaan.

Maar na zoveel historie en schitterende overblijfselen van vroeger tijden, breekt toch de dag aan dat een cultuurliefhebber even een frisse duik wil nemen in de hedendaagse kunst die naar verluidt ook welig bloeit in Iran. Op die dag staan er 3 bezoeken op het programma: het eerder genoemde Museum of Contempory Art, het House of Artists in Teheran, waar acht galeries wisselende tentoonstellingen verzorgen en een privé ontmoeting met een kunstenares die in haar eigen ruime appartement haar kunstwerken exposeert: Farnaz Jahanbin.

Propaganda

Het museum schokt. Niks Bacon, Warhol of Picasso. Zaal na zaal blijkt gevuld met propagandistische werken die de islam verheerlijken of het nationalisme moeten aanwakkeren in Iran. Het niveau van de beeldende kunst varieert tussen werkstukken van studenten en vluggertjes van cartoonisten. Ali, neef en schoonzoon van de profeet, figureert in menig werk en zijn zoon Hoessein eveneens. Titels als ‘geboren in de Kaäba’ verwijzen naar Ali, die voor soennieten ‘slechts’ de vierde kalief is maar voor de sjiïeten in Iran de eerste echte imam. ‘De opleving van de Islam’ laat als titel niets te raden over.

 
 

Een paar zalen verder prijkt het hoofd van de verdreven Egyptische president Moebarak op een sfinx. Met hem hadden de machthebbers in Teheran weinig op. Een van de kunstwerken heet ‘Vrijheid binnen de regels’, daarmee wellicht onbedoeld de wetgeving in het huidige Iran raak typerend.

Waar zijn de topwerken uit de twintigste eeuw? Opgeborgen. Het is de vastenmaand Ramadan en het gehele museum staat nu in het teken van religie en nationalisme. Weg eigentijdse kunst. Ongelofelijk!

Wat de museumbazen niet hebben weggewerkt staat buiten: beelden van Magritte (foto) en Moore bijvoorbeeld.

Kritiek
 
 

Een verademing vormt daarna het House of Artists. In de hal ligt weliswaar een enorme koran opengeslagen, maar die is zo groot dat hij de menselijke maat verre overstijgt. Een nauwelijks subtiele vorm van kritiek. De verschillende galeries bieden een variëteit aan werken. Soms voorzien van naam en prijs, soms niet. De prijzen lopen bij de huidige koersen uiteen van € 500 tot € 1200. Enorme bedragen voor een land waar € 200 een gewoon maandinkomen is.

In menig werk is de kalligrafie te herkennen, het sierlijk verweven van de Arabische lettertekens. Kierash Yaghoub springt er uit met zijn ‘De many names of God’.

 
 
Humoristisch is ‘Puzzled Couple’ van Abdil Asbaghi.

 
 
Zelf raak ik in de ban van een werk uit de ‘Creation Culture Series’ van Pedran Tamaomi. Cultuur met al haar gevolgen is mensenwerk, bedacht in beelden en letters in een mensenhoofd.

 

Alleen voor vrouwen
 
Fris,  verrassend, kritisch is het werk in die hedendaagse galeries. Even verfrissend is de ontmoeting met Farnaz Jahanbin, een kunstenares en zangeres, die in Teheran exposeert in haar eigen appartement, maar van wie ook werken hangen in de House of Artists en die uitnodigingen op zak heeft voor tentoonstellingen in Dubai en Londen. In haar werk zijn eveneens sporen te vinden van de kalligrafie, maar ook elementen van de voorchristelijke figuren uit de tijd van Persepolis.
 

Ze zingt zelf in haar appartement als ze daartoe wordt uitgenodigd: een prachtige stem met mooie Perzische melodieën. Maar dan vertelt ze dat ze alleen maar optreedt voor vrienden en bekenden. Want een vrouwelijke artiest mag in Iran niet zingen voor een gemengd publiek. Ze kan kiezen: alléén voor vrouwen of in besloten kring. Haar keuze was niet moeilijk: dan maar niet in het openbaar.
 
 

Maar misschien, straks in Londen, kan ze bij de opening van haar expositie ook haar stem laten horen.

Arnold.
 

 

 

zondag 28 juli 2013

Over religie in de Islamitische republiek


Vakantie in bont Iran (1)

 
De eerste avond wacht ons al een bizarre verrassing.

In de huiskamer van de familie waar we tijdelijk logeren, in een voorstad van Teheran, hangt een royale ingelijste reproductie van de gekruisigde Christus. En dat midden in de toch zeer streng islamitische republiek Iran. Oorspronkelijk is het van de hand van de schilder Salvador Dali: Jezus, hier beter bekend met zijn niet-Latijnse naam Isa, van bovenaf gezien aan zijn sterfhout.

Waarom Isa?

“Ik hou van God en ik hou van Isa”, is het onverwachte antwoord.

Meer van Isa dan van de profeet (Mohammed)? De vraag klinkt gewaagd, bijna als vloeken in de kerk.

“Ja, want Isa maakte geen oorlog. Hij offerde zichzelf.”

En Mohammed begon wel oorlogen?

Hij knikt.

We hebben hem nog maar een uur eerder ontmoet op Khomeinie Airport en dan al deze  onbevangen openhartigheid.

Zijn antwoorden krijgen perspectief als hij later vertelt hoe hij als kind de oorlog heeft meegemaakt. Acht jaren lang heeft Iran een bloedige oorlog moeten uitvechten tegen buurland Irak, dat aanviel in de jaren tachtig. Hij was nog een kind. Met zijn moeder en zusjes moest hij schuilen in de kelders als de bommenwerpers weer kwamen en dichtbij hun huis die dodelijke last lieten vallen. Met haar kinderen is zijn moeder gevlucht naar familie in het noorden, verder weg van de hoofdstad, die doelwit was van de Iraakse luchtmacht.

Door heel Iran hangen een kwart eeuw later nog steeds posters met foto's van de 'martelaren' die in deze gruwelijke oorlog zijn gesneuveld. 'En allemaal voor niks', zal een moeder verzuchten bij het zien van al die jongensgezichten. 'De ayatolla’s bleven thuis in die tijd en werden rijk.'

Een paar weken rondkijken in het Iran van 2013, in modale milieus, levert een zeer veelkleurig beeld op. Veel bonter en genuanceerder dan de zwart-wit beelden van de tv. Natuurlijk lopen er in het straatbeeld altijd wel vrouwen rond met zwarte alles verhullende chadors en soms ook een bebaarde mullah in lang gewaad. Maar veel meer bepalen modieus geklede en goed verzorgde vrouwen het beeld. Ze voldoen nog maar net aan de strenge kledingvoorschriften. Of net niet. De grenzen verschuiven, zoals iemand constateert die hier nog maar een jaar geleden was.

Hoofddoeken die het halve hoofdhaar vrij laten of soms alleen nog maar hangen op het achtervoegsel, dat met een klem achter op het hoofdhaar zit om de doek op te houden. Een getailleerd dun jasje, manteau genoemd, in plaats van een zwart gewaad, met daaronder strakke broekspijpen. Ze bedekken weliswaar lijf en leden, maar laten het figuur duidelijk uitkomen. In goedgekozen modieuze en passende tinten, met de nodige make-up en als het even kan wat bling-bling om de pols, zien deze Iraansen er minstens zo vrouwelijk uit als leeftijdgenoten in het Westen.


Even een familiefoto in de woonkamer. Drie zussen van vijftig en begin zestig. Eén wonend in het Westen en terug op familiebezoek, Westers gekleed zoals thuis. Een tweede, wonend in de hoofdstad, wel in het zwart en een lange rok, maar zonder hoofddoek, ondanks de buitenlandse man in het gezelschap. De derde zus, afkomstig uit een kleinere stad, helemaal in een zwarte chador. Maar ze lachen even hard en zingen even luid samen. De derde zal zich midden op de dag even terug trekken in de logeerkamer om haar middaggebeden te doen. Niemand die er van opkijkt natuurlijk. Het  familiefeestje gaat gewoon verder. Zodra de mannelijke gast weg is, verdwijnen  ook de laatste hoofddoeken, blijkt later.



Een andere foto, op een verjaarsfeest met voornamelijk jonge mensen tussen de twintig en vijftig. Veel korte strakke rokken, blote armen, elegante kledij.   Mannen en vrouwen die samen dansen, muziek maken, zingen. Binnen gelden de strenge regels niet. Als de cadeautjes aan het eind van de avond zijn aangeboden,  ondergaan de meeste vrouwen een gedaanteverandering. Geen sexy rokjes en blote benen meer, maar broeken en jassen. Want buiten gelden de wetten en die zijn nog steeds streng.

Die overdreven kledingvoorschriften zijn niet islamitisch, vindt menigeen in dit milieu. 'Ze zijn er om ons te onderdrukken en onder de duim te houden.’

Let wel: ik ben maar een paar weken in Iran geweest en beschrijf indrukken en beelden. Ik heb geen idee hoeveel procent mensen in dat land diep gelovig is en hoeveel lauw gelovig. Van degenen die ik ontmoet, verzekert bijna iedereen me in God te geloven en van God te houden. Tijdens een familiepicnic 's avonds laat op een parkeerplaats, zondert bijna de helft zich - een voor een - af om het avondgebed te doen. Natuurlijk na eerst met een kompas de richting van Mekka te hebben gezocht. De anderen gaan rustig door met het roosteren van de maïs op een brandertje en vervolgens het delen van de vele meloenen. Van al deze familieleden en hun gezinnen blijkt maar één persoon te vasten tijdens de maand ramadan. De anderen hebben een excuus of 'doen er gewoon niet aan'.

Geloof scheidt mensen niet in dit milieu en deze familie. Op het verjaarsfeestje vertelt een jonge vrouw Armeense en christen te zijn. Haar familie in Amerika heeft haar vaak genoeg uitgenodigd over te komen naar de VS. Maar waarom zou ze? Ze heeft een goede baan, vrienden hier en geen problemen met haar geloof verzekert ze.

We ontmoeten zelfs iemand die stellig verkondigt dat God niet bestaat. En atheïst, een categorie mensen die helemaal niet bestaat. Hij krijgt niet echt bijval. Een enkeling kijkt hem meewarig aan, maar in besloten kring mag zelfs zijn dwarse geluid klinken.

zaterdag 31 december 2011

Een sprookje


Een sprookje

Er leefde eens in een land hier niet ver vandaan een beeldschone jonge vrouw die geen risico wilde lopen. Ze was blond, intelligent,had een baan en verdiende haar eigen kost. Maar hoe lang, vroeg ze zich af, kan ik mijn eigen geld blijven verdienen. Niet meer als ik straks oud en versleten ben. Voor die tijd zal ik geld opzij leggen.

Ze raadpleegde een blinde zigeunerin. Hoe oud zal ik worden, wilde ze weten. Want dan bereken ik ook hoeveel ik moet sparen voor later. Met haar ruwe vingertoppen tastte de blinde zieneres de levenslijn af in de zachte vrouwenhand. U zult tachtig jaar leven, voorspelde zij.

De slimme jonge vrouw rekende thuis op een kladje: laten we zeggen dat ik tot mijn 65ste kan werken, dan moet ik voor de laatste 15 jaar geld opzij leggen. Zo gezegd zo gedaan. Ze werkte nijver, leefde gezond en spaarde in veertig jaar genoeg om de laatste 15 jaar van rond te kunnen komen, al zou ze dan een stapje terug moeten doen.

Toen haar 65ste verjaardag naderde, wilde ze toch nog een check. Ze voelde zich gelukkig en gezond, maar wilde het zekere voor het onzekere. Ze fietste gezwind naar het afgelegen huisje van de inmiddels bejaarde zigeunerin en stelde de vraag van vroeger opnieuw.

Op het gezicht van de zieneres verscheen een blijde glimlach. Ze herkende de lieftallige hand en fraaie levenslijn en merkte dat die na een gezond en onbekommerd bestaan was doorgetrokken. ‘U hebt geluk, u zult nog wel twintig jaar leven.’

Geschrokken trok de vrouw haar hand terug en protesteerde hevig: ‘Nee toch, niet nog vijf jaar erbij! Zoveel heb ik niet gespaard.’ De blijde boodschap legde het af tegen haar nieuwe zorgen. Met gebogen hoofd aanvaardde zij de terugtocht: gezonder dan ze ooit had gedacht, met een langere levensverwachting als cadeautje, maar met een hoofd vol bekommernis. Ze leefde nog lang en ongelukkig.

De moraal van dit verhaal? We worden gemiddeld ouder dan gedacht en we hebben via de pensioenpremies voor minder jaren gespaard dan we gemiddeld te leven gaan krijgen. Dat is een van de oorzaken waardoor de pensioenfondsen het zo moeilijk hebben. Ze moeten het gespaarde pensioengeld over veel meer jaren uitkeren dan ooit was bedacht.

De tweede oorzaak van hun zorgen heeft ook al te maken met het voorspellen van de toekomst. Als de jonge vrouw zou weten dat ze voor 20 jaar pensioen moest opbouwen, hoeveel zou er dan van jaar tot jaar op haar spaarrekening   moeten staan, om uiteindelijk goed uit te komen? Met hoeveel rente groeit dat  geld van jaar tot jaar? Als ze uitgaat van een gemiddelde rente over de komende jaren, haalt ze het bijvoorbeeld net. Maar als de rente tijdelijk veel lager is en ze denkt dat die altijd zo laag blijft, moet ze nu al veel meer in kas hebben.  

Dat is het tweede probleem van de pensioenfondsen. Ze moeten rekenen met de huidige uitzonderlijk lage rente en constateren dan dat ze niet voldoende in de pot kunnen hebben. Tenminste als die rente tien, twintig, dertig jaar zo laag blijft.

Wie het weet mag het zeggen. Wie het zekere voor het onzekere neemt, kan zich nog altijd verrekenen, zo blijkt wel uit het sprookje.

Arnold Verplancke


(De foto is wel gemaakt door de auteur maar behoort niet bij dit onderwerp.)

dinsdag 19 april 2011

Historische vliegtuigen

Vliegen in een Piper Cup na een halve eeuw

Een halve eeuw is het ongeveer geleden dat ik werkte op de vliegbasis Ypenburg bij Den Haag. Nu verdwenen en omgevormd tot een woonwijk. Toen een trotse luchtmachtbasis met van alles: Fokker S-14's en F-27's, Hillers en Alouettes (helikopters), Harvards, Beavers en Piper Cups.
Ik was er in 1963 en 1964 assistent-luchtverkeersleider.

De komst van de eerste Starfighter F-104G op Ypenburg was een sensatie in 1963. Hij kwam voor het onderhoudsbedrijf Avio Diepen dat ook op de basis was gevestigd. Op speciaal verzoek van de brandweerwagens langs de baan kwam hij zo laag en hard over het beton gevlogen als nu niemand meer zou durven toestaan.

Die lichte Piper Cups waren een ander verhaal. Verkenningsvliegtuigjes voor 2 personen, toen nog zonder radio. Ze startten en landden op een grasbaantje, waar een assistent-verkeersleider in een roodwit geblokte caravan naast zat. Met rode en groene lichtsignalen en eventueel een rode lichtkogel moest hij het verkeer regelen van de Piper Cups.
Als de middagzon lang op zijn caravankoepeltje scheen, konden de ogen wel eens dicht vallen. Totdat een landende Piper Cup vlak langs zijn caravan landde met zijn lichte bromgeluid. Die had geen geduld te wachten op het ontwaken van de korporaal van dienst en zijn groene signaal.

Kortom, de Piper Cup is voor mij een stukje jeugdsentiment en je kunt je voorstellen hoe leuk het dan is om een halve eeuw later er zelf in te kruipen en mee te vliegen.

De Stichting Koninklijke Luchtmacht Historische Vlucht op de vliegbasis Gilze-Rijen (waar vroeger de opleiding luchtverkeersleiding zat) heeft een paar prachtig gerestaureerde Piper Cups. Naast allerlei andere klassiekers als de Fokker S-11, Beaver, Harvard, Spitfire en niet te vergeten de B-25 Mitchell bommenwerper.


Leo Juliën, zelf een monteur aan én vlieger in de Piper Cup heeft Joke en mij rondgeleid in de hangars vol prachtig gerestaureerde toestellen, maar ook volledige gestripte en half opgebouwde exemplaren.


Na een laatste motorcheck was het zover: in de Piper Cub en naar take off.



Even een paar rondjes maken over Tilburg en omgeving. Met hieronder ons oude huis (de witte villa met de uitbouw naar voren) aan de Ringbaan West. Nog steeds te koop overigens.


Daarna even cirkelen rond het hoogste punt van Tilburg: Westpoint Toren waar we nu wonen op de 43ste etage. Maar met de Piper Cup kijk je zelfs neer op Westpoint.


En dan weer terug naar Gilze-Rijen, over de A58 heen die op een zonnige zondag helemaal niet zo druk lijkt.


Zo glijden heden en verleden even ineen. De jeugdige verkeersleider van toen is nu een pensioenfondsbestuurder van bijna 66 jaar, met een geschiedenis als journalist. Leuk toch.

vrijdag 11 januari 2008

Salomé in Syrië en Jordanië

Op zoek naar Salomé in Syrië en Jordanië
   
Door Arnold Verplancke
Even uw culturele kennis testen. Waar kent u Salomé van?
Van het beroemde schilderij van Gustav Klimt? Rekenen we goed.
Van de al even beroemde opera van Richard Strauss? Zeker goed.
Uit de bijbel? Fout. De naam Salomé komt in de bijbel niet voor.

Maar is Salomé dan niet die wellustige stiefdochter van koning Herodes Antipas, die voor haar stiefvader danst en als beloning het hoofd van Johannes de Doper eist; letterlijk, op schaal?
Ja wel. Maar haar náám komt in de bijbel niet voor.
Daar is slechts sprake van de dochter van Herodias, de nieuwe vrouw van Herodes.
Toch kennen we Salomé bij naam dankzij het werk van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (37-100), die keurig de ingewikkelde relaties van de Herodes-familie heeft vastgelegd voor het nageslacht.

Waarvan wordt die mooie Salomé nou precies beschuldigd?
Haar stiefvader viert in de jaren dertig, aan het begin van onze jaartelling, zijn verjaardag met een groot feest in het slot Machaerus bovenop een berg in het gebied Perea. De plaats heet tegenwoordig Muqawir en ligt in Jordanië, met uitzicht op de Dode Zee.
De bijbelschrijvers vertellen dat dochterlief danst temidden van de vele gasten. Kennelijk beweegt het meisje zo verrukkelijk en verleidelijk dat Herodes Antipas plechtig belooft dat ze alles mag wensen wat ze wil.
Dan komt de gemene moeder Herodias in het spel. Ze stookt haar dochter op om het hoofd te vragen van Johannes de doper, de boze prediker, die geketend gevangen zit in een put ergens in de burcht.
Waarom doet ze dat?
Omdat Johannes voortdurend luidkeels het huwelijk veroordeelt tussen Herodes Antipas en haar. Herodes was al getrouwd, maar hij zag meer in zijn schoonzus Herodias. Voor haar schoof hij zijn eerste vrouw opzij, de dochter van de Arabische koning Arétas, dit tot voortdurend protest van Johannes.
Schilderij van Caravggio: Salomé met de schaal waarop het hoofd van Johannes ligt

Herodes schrikt van de Salomé’s wens, zo wil de evangelist Marcus ons doen geloven omdat Herodes in Johannes een rechtaardig en heilig man zou zien. Laten we dat maar even terzijde schuiven. In ieder geval komt hij zijn dure eed na, laat Johannes onthoofden en zijn hoofd op een schaal binnenbrengen voor Salomé. Het meisje geeft het volgens de bijbel aan haar moeder, zij is immers de aanstichter van dit kwaad.

Op zoek gaan naar Salomé is tegelijk treden in de voetstappen van Johannes de Doper, dus reizen door Jordanië en Syrië. In het eerste land ligt niet alleen Muqawir, waar zijn hoofd er af ging, maar ook de plek aan de Jordaan waar hij aanvankelijk mensen doopte, onder wie een Jezus van Nazareth. In het tweede land wordt zijn hoofd bewaard en in ere gehouden.


Het praalgraf in Damascus

Om met dat laatste, het meest verrassende te beginnen. In de prachtige grote Omajjadenmoskee van Damascus, die kort na het jaar 700 is gebouwd, schittert een meer dan manshoog groengouden praalgraf, waarin volgens de overlevering het hoofd van Johannes rust.
De moskee zelf vormt een onontkoombaar hoogtepunt en zelfs rustpunt voor elke toerist aan de Syrische hoofdstad, maar daarbinnen trekken twee praalgraven alle aandacht. In aparte ruimten worden twee heilige hoofden bewaard en vereerd. Dat van Johannes de doper en dat van Hoessein, de vermoorde zoon van Ali, de stamvader van de sji´ieten, een stroming in de islam.

Terug naar Johannes. Wat doet een hoofd van een ´christelijke´ heilige in een moskee? Dat is niet zo vreemd als het lijkt. Ten eerste geldt Johannes ook als profeet binnen de islam, waar hij de meer oorspronkelijke naam Jahja draagt. Ten tweede stond op de plek waar nu de grote moskee ontelbare gelovigen en vele toeristen trekt, oorspronkelijk een christelijke basiliek gewijd aan Johannes de doper, met als relikwie in een crypte het afgehakte hoofd. Het was in de begintijd van het christendom heel gebruikelijk in een kerk een relikwie te bewaren van de heilige naamgever.

Toen de moslims in de zevende eeuw Damascus veroverden en vervolgens hun moskee gingen bouwen op de plek van de kerk, zouden ze hebben beloofd het hoofd in ere te houden. Yahja was immers ook voor hen een hoogverheven persoon. Vandaar dat ook nu nog dagelijks gelovige moslims langs het glimmende praalgraf schuifelen, het aanraken, kussen, en geld tussen de tralies duwen in de hoop dat hun gebeden en wensen worden verhoord.

Op naar de ‘Baptism site’ aan de Jordaan, de plaats waar het allemaal begon, waar Johannes gehuld in ruwe kameelharen jas mensen bekeerde en doopte. De plek ligt nu in het streng beveiligde grensgebied van Jordanië en de Palestijnse Westbank, tegenover Jericho. Alleen via een bewaakt busje is de historische plek te bereiken waar Johannes Jezus heeft gedoopt. De Jordaan heeft in de eeuwen daarna een iets andere loop genomen, maar er bestaan voldoende historische en archeologische bewijzen voor de authenticiteit van de nu drooggevallen doopplek. Sommige toeristen gaan een eindje verderop eerbiedig het vieze Jordaanwater in. Anderen bewonderen in het nabijgelegen kerkje de ikonen van de altijd wat verwilderd afgebeelde doper.


En dan iets zuidelijker ligt de afgeplatte 700 meter hoge tafelberg waarop het allemaal gebeurde. Waar Salomé het hoofd van Johannes de Doper vroeg en kreeg op een schaal. Bovenop de goed verdedigbare berg prijken nog de restanten van het fort Machaerus. Romeinse fundamenten van de gebouwen zijn er te vinden, enkele zuilen, muren, een poort, en enkele putten en holen die mogelijk dienst hebben gedaan als gevangenis van de prediker.
Een vreemde sensatie om die berg langs een stijl maar begaanbaar pad te beklimmen en dan rond te lopen op de plaats van de moord. Genietend van het uitzicht enerzijds, maar tegelijk bestormd door alle tegenstrijdige gegevens.

Wie was de echte dader en boosdoener? Herodias zoals de bijbel wil? Of toch Salomé, zoals operacomponist Richard Strauss een eeuw geleden in navolging van Oscar Wilde suggereerde. Hij liet zien hoe Salomé zich aangetrokken voelde tot de gekerkerde doper. Hem wilde kussen en verleiden. Hoe ze zich afgewezen voelde en toen uit wraak zijn hoofd vroeg na haar dans. In de opera kust ze het afgehakte hoofd aan het slot, tot afgrijzen van koning Herodes. De stiefvader geeft dan zelfs opdracht Salomé te doden. Maar dat is echt een verzinsel. Volgens de geschiedenis is Salomé later gehuwd, zelfs twee keer, met mannen uit de grote koninklijke Herodes-familie en heeft ze bij de tweede drie zonen gekregen.

Nee, als je naar de geschiedenis kijkt, hoefde niemand stiefvader Herodes Antipas op te stoken om Johannes om zeep te brengen, noch Herodias, noch Salomé. Hij voelde zich enorm bedreigd. Enerzijds bereidde zijn voormalige schoonvader koning Arétas van Arabia Petrae zich voor op oorlog met hem, omdat Herodes zijn dochter had verstoten. Ten tweede vreesde hij dat de populaire prediker Johannes een joodse volksopstand voorbereidde. Dus om te voorkomen dat hij straks op twee fronten moest vechten, vermoordde hij de prediker alvast maar.
Dat de schuld echt bij Herodes ligt, blijkt ook uit de reactie van zijn joodse tijdgenoten. Toen het leger van Arétas dat van Herodes grandioos had verslagen, zagen de joden daar een straf van God in, voor de moord op Johannes.
Een van de holen op de berg waar Herodes' paleis heeft gestaan: gevangenis van Johannes?
Waarom krijgen vrouwen dan toch steeds de schuld? Ach, dat is toch al sinds Adam en Eva het geval. En in de joodse verhalencultuur zijn altijd elementen uit vroegere verhalen te vinden, zeker ook in het Nieuwe Testament. In het verhaal over Salomé, zoals wij dat kennen, zijn elementen te vinden van bijvoorbeeld de oudtestamentische joodse krijgsheer Jefta die aan God een belofte doet om het eerste te offeren wat hem uit zijn huis tegemoet komt bij een veilige terugkeer als hij de oorlog wint. Hij denkt aan een offerdier, maar het is zijn dochter en enige kind, als straf voor zijn overmoedige eed. In Salomé zit zeker ook de figuur van Judith verweven, de joodse vrouw die om haar stad te redden van de wrede belegeraar Holofernes zich naar zijn kampement begeeft. Ze biedt zich aan hem aan, voert hem dronken en hakt vervolgens zijn hoofd af. Trots met het hoofd in haar handen keert ze naar de stad terug.

Als de schilder Gustav Klimt begin twintigste eeuw de opera Salomé van Richard Strauss ziet, gaat hij opnieuw Judith schilderen, als erotische halfblote vrouw met een afgehakt hoofd bungelend in haar hand. De doeken worden vaak met Salomé aangeduid, maar dragen oorspronkelijk de titel Judith.

De schoonvader van Herodes Antipas, Arétas heerste zoals gezegd over Arabia Petraea (rotsachtig Arabië) ten tijde van de Nabateeërs. Dat volk bouwde in de rotsen de prachtige stad Petrea, nu nog een hoogtepunt van elke toeristische Jordanië-reis. Petrea is onlangs zelfs gekozen op de nieuwe lijst van wereldwonderen.

In het moderne stadje Petrea even verderop staat een prachtige luxe hamam (marmeren Arabisch badhuis) dat de naam Salomé draagt. Niet lang meer misschien, sinds de eigenaar door ons het bijbelse verhaal over Johannes (Yahja) hoorde en geschrokken constateerde dat Salomé dus een joodse vrouw was. Dan kon hij de naam van zijn hamam misschien beter veranderen….

dinsdag 13 november 2007

Heiligenverering in de islam

Door Arnold Verplancke

Het kan eigenlijk helemaal niet.

Heiligen vereren. Tot hen bidden. Met verzoeken komen, smeken voor van alles en nog wat.
De islam is een strikt monotheïstische godsdienst. Alleen tot God mag je bidden. Nee, moet je bidden, vijf keer per dag. Met het gezicht naar Mekka, de Arabische plaats waar God zich aan de profeet Mohammed heeft geopenbaard in de vorm van de heilige koran.
Maar toch gebeurt het volop, heiligen vereren, smeken en jammeren bij hun stoffelijke resten.

Dat is één van de opmerkelijkste ontdekkingen tijdens een reis in Syrië. De verering van heiligen en hun relikwieën door moslims van velerlei snit. Het hooghouden van allerlei legendes en min of meer historische verhalen met een hoog wondergehalte. Kortom het blijkt een ontdekkingstocht door een fantastisch en veelkleurig volksgeloof, waarbij de volksdevotie soms het strikte geloof lijkt te overspoelen.

Even naar de kern. Een moslim gelooft in één God, die één eenheid is. Die kan geen zoon hebben, geen moeder (of vader). God is de schepper en aan hem is de mens onderworpen. Tot hem dient gebeden te worden. Tot niets of niemand anders. Het aanbidden van andere goden of het geloof in meer goden is ongeveer het slechtste dat een mens kan doen. Let wel: ook de profeet Mohammed, de laatste van alle profeten, is een gewoon mens. Hij dient niet aanbeden te worden, evenmin natuurlijk als Isa (Jezus), Ibrahiem (Abraham) of Jahja (Johannes de doper) om maar een paar andere profeten te noemen.

Dat mag dan zo zijn, maar de praktijk ziet er anders uit, niet in één moskee, maar in veel Syrische. Toegegeven, het meest kleurrijk en luidruchtig gaat het toe bij de sji'ieten, maar ook onder de soennieten komt de nodige volksdevotie voor. Sji'ieten vormen met hun 15% van de 1,3 miljard moslims de belangrijkste minderheidsstroming. De hoofdstroom bestaat uit soennieten. Maar in landen als Iran en Irak behoren de meesten tot de sji'ieten.

Sji'ieten lijken in Syrië het meest aan heiligenverering en bedevaarten te doen. Wat dat betreft lijken ze een beetje de roomsen van de islam. Zoals in een nog niet zo ver verleden bussen vol vrome Brabantse plattelanders naar plaatsen Banneux, Beauraing en Lourdes trokken op bedevaart, zo reizen nu bussen vol simpele gelovigen van het Iraanse of Iraakse platteland naar heiligdommen in Syrië. Hun verweerde koppen en eeltige handen verraden een leven vol harde arbeid. De bijna geheel in het zwart gehulde vrouwen hebben een minstens even zwaar leven achter de rug. Een bedevaart naar 'hun heiligen' vormt een hoogtepunt in hun leven.

Wie of wat bezoeken ze in Syrië? Even een klein beetje geschiedenis. Mohammed (570-632) werd als (wereldlijk en geestelijk) leider van de islam opgevolgd door achtereenvolgens vier kaliefen. De vierde kalief was zijn schoonzoon Ali. Maar hij ondervond felle tegenstand van de Omajjaden, clangenoten van de derde kalief. Het kwam zelfs tot een oorlog.

Weliswaar werd die door bemiddeling tijdelijk beëindigd, maar daarmee was de strijd om de opvolging niet beslecht. Toen Ali bovendien werd vermoord in 661, grepen de Omajjaden de macht. Dit tot grote woede van de aanhangers van Ali (sji'a Ali), ofwel de sji'ieten, die hun eigen weg gingen. Ook de zoon van Ali, Hussein, sneuvelde in een veldslag tegen de Omajjaden, bij het Iraakse Kerbela (680).

Hussein en 16 martelaren

De overwinnaars van die veldslag zouden Hussein en zestien van zijn vrienden hebben onthoofd en de hoofden gestoken op speren, hebben meegenomen via Aleppo in Syrië, naar Damascus, dat zij inmiddels als hoofdstand hadden verkozen.

Het zijn deze Hussein en zestien martelaren van Kerbela die hoog op de lijst staan van de sji'ietische bedevaartgangers, maar evenzeer alle familieleden van Ali en Hussein. Op de twee foto's hier boven is de kamer te zien met het praalgraf van de zestien martelaren. Groepen Iraanse bedevaartgangers lopen tegen de klok rond de goudgetraliede glazen tombe waarin op een soort sarcofaag zestien groenomhulde bollen te zien zijn. Aangevoerd door een man met megafoon slaan de mannelijke sji’ieten zich hard op de borst, om mee te lijden met de martelaren. Mannen en vrouwen prevelen gebeden, zingen, huilen, de vrouwen soms met luid gekrijs. De gouden tralies worden aangeraakt, gekust, schoongewreven. Zo zal het ook toegaan bij andere sji’ietische heiligdommen.

Op dezelfde begraafplaats Bab Assaghir in Damascus zijn nog veel meer graven te vinden die alle eerbied verdienen. Bijvoorbeeld van Zainab Soghra (bijgenaamd Omme Kulthom), de dochter van ‘imam’ Ali. Haar praalgraf prijkt op de foto hier boven. En dat van Sakina, de dochter van Hussein, hier onder. Ook deze trekken grote groepen luid rouwende sji’ieten. Vrouwen én mannen kussen de gouden tralies. Briefjes worden tussen er tussen gestopt. Munten en bankbiljetten door de spleten gefrommeld.

Vreemd, iets verderop liggen twee echtgenotes van Mohammed begraven, van de profeet zelf dus. Daar heerst alle rust. Twee vrij simpele sobere schrijnen, zonder de opsmuk van de bloedverwanten van Ali. Geen goud blinkt er. En toch gaat het om Umm Salama en Umm Habiba, twee echtgenotes van de profeet zelf.

Het doet me denken aan wat een (soennitische) chauffeur in Jordanië zal zeggen, dat de sji’ieten geen goede moslims zijn omdat ze eigenlijk vinden dat Allah zich heeft vergist. Dat hij de koran naar Ali had moeten sturen in plaats van Mohammed. Natuurlijk klopt zijn verhaal niet. Het is alsof een protestant beweert dat katholieken Maria hoger aanslaan dan haar zoon.

Op deze foto is trouwens nog een fraai staaltje heiligenverering te zien. Het gaat om een praalgraf in de Al Hussein moskee in Aleppo. Daarin ligt de steen waarop het hoofd van Hussein zou hebben gerust tijdens de tussenstop van Kerbela naar Damascus. Het verhaal wil dat een (christelijke) monnik in Aleppo de mannen zag aankomen met op hun speer het hoofd van Hussein. Het hoofd straalde een helder licht uit. De monnik vroeg of ze het hoofd op een steen wilden zetten en beloofde dat hij het die nacht zou bewaken. Dat deed hij al biddend. Toen de krijgslieden de andere dag met het hoofd vertrokken, bleef de steen roodgekleurd van het bloed achter. Het geldt nu als relikwie en de steen ligt in een glimmend praalgraf.

Een eindje verderop in Aleppo is een gebedshuis te vinden, waar het stoffelijk overschot van een doodgeboren zoontje van Hussein wordt bewaard en vereerd.

Husseins hoofd in Damascus?

De meeste eerbied verdient voor de sji’ieten natuurlijk de schrijn in het prachtige praalgraf van de Omajjadenmoskee in Damascus, waar het hoofd van Hussein zijn laatste rustplaats zou hebben gevonden (foto hier onder). Talloze ontroerde gelovigen blijven naar die kant van de moskee komen om het graf aan te raken, gebeden te prevelen en te rouwen en ook om zich op de foto te laten vereeuwigen met dit graf. Klagend zingende mannen slaan zich op de borst, terwijl jongeren poseren voor mobieltjes.



Maar ligt Husseins hoofd daar wel? Een man die wij spreken meent van niet. Het hoofd is al lang weer teruggebracht naar Kerbela in Irak, stelt hij. Als we achter deze mededeling enig chauvinisme vermoeden, blijkt dat te kloppen. Hij komt zelf uit Irak met zijn gezin. Met geïnteresseerde Westerlingen praat hij onbelemmerd. Alleen geen goed woord over de politiek van Bush. De oorlog in Irak heeft hem zijn huis gekost.

Hier boven is het graf te zien van Saida Zeinab, een zus van Hussein, die door de Omajjaden als gevangene werd meegevoerd naar Damascus. De naar haar genoemde moskee in het zuidoosten van Damascus is van een indrukwekkende pracht en praal. Natuurlijk is er een apart vrouwengedeelte, met een aparte ingang, voor volledig bedekte. Van hun lichaam mogen slechts gezicht en handen onbedekt blijven. De waarschuwing in de uitgebreide reisgids dat niet-moslims niet bij de schrijn zelf mogen komen, blijkt wel voor vrouwen te gelden, niet voor mannen.

Haar en tand van profeet
Maar zoals gezegd, niet alleen sji’ieten doen aan heiligenverering. In de grote Omajjadenmoskee van Aleppo staat een praalgraf voor Zakarijja (foto boven), bij christenen bekend als Zacharias, de vader van Johannes de doper. En vóór de beklede sarcofaag met het stoffelijk overschot van Zacharias, pronkt een klein glazen kistje. De inhoud? Twee haren en een tand van de profeet Mohammed. Het is maar goed dat hij het zelf allemaal niet ziet.


Terug naar Damascus, naar de grote en rijk versierde Omajjadenmoskee (foto boven). Daar is niet alleen de voor sji’ieten zo belangrijke schrijn van Hussein te vinden, maar ook die van Jahja (Johannes de doper). Hij is geen specifiek sji’ietische heilige, maar geldt voor alle moslims als profeet. De koran noemt hem immers zo. Zijn afgehakte hoofd zou als relikwie zijn gebruikt bij de stichting van de naar hem genoemde kerk in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Toen de moslims begin achtste eeuw met de bouw van de moskee begonnen, ontdekten ze in een crypte het hoofd dat ze vervolgens zelf met groot respect zouden hebben bewaard.

In de zuidelijke stad Bosra, vlakbij de Jordaanse grens staat het imposante amfitheater van de Romeinen. Maar in het oude stadje zijn ook onder meer het restant van een basiliekje en een oude moskee te vinden. De ruïne van het kerkje wordt bewaard om de christelijke priester Bahira te eren, die als eerste in de jeugdige Mohammed een toekomstige profeet zou hebben gezien. De verhalen die de ronde doen over dit gebeuren variëren een beetje. In het ene verhaal ontmoet hij Mohammed. In het andere zegt hij tegen diens vader dat hij in zijn gezelschap iemand heeft die later een groot profeet zal blijken. De priester weet zelfs te vertellen dat de jongen een moedervlek heeft op de schouder. Dat klopt natuurlijk.

Maar het verhaal over de kleine donkere Mabrak moskee spant de kroon. Daar zijn (foto onder) de afdrukken bewaard van de knieën van een kameel (!). Het zouden de knieën van Mohammeds kameel zijn geweest. Volgens een andere lezing de knieën van de kameel waarmee de eerste koran naar Syrië kwam.
Eer betuigen aan de afdrukken van de knieën van een kameel…. Veel gekker moet het toch niet worden.

maandag 23 april 2007

Chinese boze geesten

Chinese boze geesten 

Door Arnold Verplancke 
Klopt het dat Chinezen meer bezig zijn met het weren van boze geesten en het gunstig stemmen van de demonen, dan met het vereren van goden? Ik vraag dat aan mijn vrouwelijke Chinese gesprekspartner, met wie ik als vrijwilliger wekelijks Nederlandse conversatie oefen. 

 Een beetje besmuikt beaamt ze de uitspraak, die ik overigens aantrof in een boek dat ik van haar heb gekregen: “Een hart van mandarijntjes”. Het onlangs verschenen boek verhaalt over de gruwelijke ervaringen van een Chinees gezin onder het juk van Mao en de ontsnapping van een deel van het gezin na barre omzwervingen en een levensgevaarlijke zwemtocht van acht uur over zee naar Hongkong. Terloops vertelt het boek over de wierook die Chinezen branden bij de kleine altaartjes om boze geesten af te leiden. 

Dat klopt, bevestigt de Chinese vrouw me in Tilburg. Ze vult aan hoe Chinezen achthoekige spiegeltjes aan de voordeur van hun huizen hangen. Als de boze geesten daarin kijken, schrikken ze van hun eigen afgrijselijke tronie. Een paar dagen voor Nieuwjaar plegen Chinezen ook hun hele huis grondig schoon te vegen, om met het vuil de boze geesten eruit te jagen en zo in een volkomen reine omgeving het nieuwe jaar in te gaan.

Als ze mijn neutrale gelaatsuitdrukking ziet, vraagt ze verbaasd of ik niet in geesten geloof. Nee, zeg ik eerlijk. Waarom niet, wil ze weten. Omdat ik nooit een teken heb gezien voor het bestaan van geesten, probeer ik voorzichtig. Dat begrijpt ze. 

Voor haar ligt dat anders. Ze heeft echt boze geesten gezien. En ze verhaalt hoe ze als achtjarig meisje thuis in Hongkong ziek lag. Haar moeder verzorgde haar. Plotseling zag zij een hele rij geesten in de kamer. Kale mannen, met alleen een bovenlijf. Ze bewogen zonder van hun plaats te komen. Haar moeder probeerde ze weg te jagen met een tak die voor het beeld van een godin had gestaan, daarbij waterdruppels zegenend in de richting van waar het kind de boze geesten zag. Maar de rij geesten bleef nog een paar minuten alvorens te verdwijnen. “Daarom weet ik zeker dat ze bestaan, ik heb ze zelf gezien,” zegt ze nu een halve eeuw later aan de andere kant van de wereld. 

 Even later valt het Nederlandse woord ‘ark’ naar aanleiding van de titel van een ander boek. Wat is een ark, wil ze weten. Ik leg dat uit en begin kort het bijbelverhaal van Noach en de ark te vertellen. “Ach, dat ken ik,” reageert ze enthousiast. “Dat is een Chinees verhaal. Van een man die van God hoort dat er heel veel water gaat komen en dat hij een boot moet bouwen. De overstroming zal beginnen als de ogen van de stenen leeuwen bij de tempel rood gaan bloeden. Daarom gaat de man elke dag bij de tempel kijken, maar er drupt nooit bloed uit de leeuwenogen. Een varkensslager ziet hem elke dag naar de tempel lopen en vraagt naar de reden. Als de man dat heeft verteld, haalt de slager een gemene streek uit. ’s Nachts wrijft hij de ogen van de leeuwenbeelden in met varkensbloed. 

De andere dag komt de man weer, ziet het bloed en weet dat hij met zijn familie en dieren in de grote boot moet kruipen. Dat doen ze ook en maar net op tijd, want zie…..de vloedgolf breekt los en verwoest alles, behalve de ark.” Met stomheid geslagen hoor ik deze Chinese variant van de zondvloed aan. Voor de zekerheid zeg ik nog even dat het bijbelverhaal iets anders gaat, maar dat deze versie even mooi is. 

Een hart van Mandarijntjes, geschreven door On-Chiu Cheung en Ping Fai Philippe Ng, Uitgeverij Van Halewijck ISBN 978 90 5617 758 4.

vrijdag 20 april 2007

Beckett: Breath

Breath

Door Arnold Verplancke


Toneelstuk van Samuel Beckett uit 1969
Duur 35-40 seconden
Vertaling Arnold Verplancke:


Doek
Flauw licht op het toneel dat bezaaid is met allerlei onherkenbare rotzooi. Ongeveer vijf seconden stilstand.
Zachte korte kreet en onmiddellijk het geluid van inademen en tegelijk langzame toename van het licht, die samen hun maximum bereiken in ongeveer tien seconden. Daarna stilte en stilstand van ongeveer vijf seconden.
Geluid van uitademen en langzaam afnemen van licht, die tegelijk hun minimum bereiken (licht als in 1) in ongeveer tien seconden en onmiddellijk een kreet als eerder. Daarna stilte en stilstand van ongeveer vijf seconden.

Doek
Slot



(Toneelaanwijzingen:)

ROMMEL
Niets verticaals, alles verspreid en liggend.

KREET
Korte opgenomen vagitus (kan zowel kreet van kind als van gewonde of stervende zijn. AV). Belangrijk dat de twee kreten identiek zijn en dat het op- en uitdraaien van licht en ademgeluid volstrekt synchroon gebeuren.

ADEM
Versterkt weergegeven opname.

MAXIMUM LICHT
Niet helder. Als 0 = donker en 10 = licht, moet het licht van 3 naar 6 bewegen en terug.





Als het doek is gevallen denken sommige mensen in de zaal dat er iets fout is gegaan. Anderen beseffen dat dit het laatste stuk was van de serie eenakters op het programma. En dat Beckett ook met Breath iets wil zeggen.

Beckett heeft het mensenleven van pakweg 2 ½ miljard seconden samengeperst tot 35 seconden. Je hoort de geboortekreet van een pasgeboren kind, zijn eerste ademtocht, het hoogtepunt is het zicht op de rommel, zijn laatste adem, zijn doodsreutel en de dood.
De mens wordt geboren, geworpen in een onbekende wereld vol rotzooi en sterft. Dat zijn de menselijke zekerheden, dat is de menselijke existentie in een notendop.
En daar ligt de religieuze uitdaging.
Om deze absurditeit te overdenken en overwinnen.
Om zin te geven aan de menselijke existentie.
Om te voorkomen dat de dood alleen maar de overgang is van het nutteloze naar het niets.
Om die uitdaging en die vraag van Beckett, grenst voor mij kunst aan religie, zonder religieuze kunst te worden.
Ik denk aan Karl Rahner, die in zijn artikel over “Theologie en de kunst” schrijft over kunst die iemand confronteert met zijn totale zelf, zodanig dat in hem de hele vraag naar het bestaan, de existentie, wordt gewekt.

Het werk van Beckett leent zich daar bijzonder toe. Doordat hij met zijn absurdistische stukken en beelden en zijn door het existentialisme beïnvloede denken de mensen de spiegel voorhoudt van hun naakte bestaan. Van alle opsmuk ontdaan, teruggebracht tot de essentie.

Zoals in het bekende Wachten op Godot, waar twee zwervers eindeloos wachten op Godot die ze niet kennen; dus op iets of iemand, waarvan ze niet weten wanneer die komt en waarom ze moeten wachten. Ze doden de tijd ondertussen met leven en ze wachten. Ruzieën wat, herinneren zich wat, ontmoeten mensen, krijgen soms een boodschap van Godot. Dat die nog niet kan komen. Morgen misschien.

Er zijn boeken volgeschreven over Godot. Of dat God is, of de verlosser, of de dood. Beckett zelf was laconiek: “Als ik dat had geweten, had ik het wel in het stuk gezet”, zei hij.
Maar het gaat hem helemaal niet om Godot, maar om de mens die wacht, die leeft, die zijn tijd verdoet, het enige dat hij heeft.
Maar ja, wat moet hij anders?

Voor degenen die niet zeker weten of mijn interpretatie van Breath wel klopt, even een Frans rijmpje dat Beckett zelf aan een kennis stuurde over Breath. Het deed hem denken aan:
On entre, on crie
Et c’est la vie.
On crie, on sort,
Et c’est la mort.

(je komt, je huilt, en dat is het leven, je huilt, je gaat en dat is de dood)

Hoofddoekjes

De hoofddoek als schaamlap en strijdvlag

Door Arnold Verplancke

Donkere wolken. Regenvlagen. Een gierende wind. Tegenover ons in het duister van de avond ligt een groot gebouw. Hogere Burgerschool staat in trotse koperen letters op de gevel. “Naar zo’n school ga jij ook later”, zegt mijn moeder, om me op te beuren. Het is avond en heel slecht weer We wachten op de bus. Ze houdt mijn hand goed vast, ik tel nog geen acht jaar “Ik hoop dat alles goed gaat in Zeeland”, zegt ze onverwacht. Ik hoor de angst in haar stem en die bevriest dit beeld voor eeuwig. Mijn moeder bang, de HBS, de regen, Zeeland, haar hoofddoekje. Het is 31 januari 1953.

Hoofddoekjes waren heel gewoon in mijn jeugd. Vrouwen droegen ze. Tegen de kou of tegen de regen. Omdat ze net hun haar hadden gedaan, of omdat ze de krulspelden bedekten.
Het was ook de tijd dat de meeste vrouwen hoeden droegen als ze naar de kerk gingen. Zij hielden ze op, mannen zetten ze juist af. Ik leerde veel op zondag als ik met mijn opa en oma mee ging. Vrouwen moesten links zitten in de kerk, mannen rechts. Mijn oma zat ergens middenin, mijn opa ver naar voren met een eigen koperen naamplaatje op de bank geschroefd. ‘A. J. Kuif’ stond er op. Het was dezelfde A als van mij, dus ik had er ook een beetje recht op. Of oma ook een naambordje had, weet ik niet. Ik ben nooit aan de vrouwenkant geweest.

Jongens en meisjes bleven apart, mijn hele lagere schooltijd, tot en met de derde klas HBS. Toen kwam het eerste meisje, vanwege de wiskunde. Dat deden ze niet op de MMS.
Alleen de bewaarschool in mijn kleutertijd was gemengd. Ik herinner me hoe we in de rij stonden om klassikaal naar de wc te gaan. De jongensrij begon al vóór de meisjestoiletten. Toen ik langs de meisjesingang schuifelde, stak ik nieuwsgierig mijn hoofd omhoog en keek naar rechts om te zien hoe het daar toeging. Dat leverde mij een forse tik op van de zuster. Van onder haar zwarte hoofdkap met witte stijve rand keek ze me erg kwaad aan. Ik leerde snel op die RK kleuterschool De Engelbewaarder. Blote billen en meisjes hadden kennelijk iets te maken met zonde en straf. En een jonge onderzoeker moest uitkijken niet boven het maaiveld uit te steken.

Zusters – wij noemden ze nooit nonnen – gingen in het zwart met ovalen oogluiken, paters Franciscanen van de HBS in bruine pij over straat. Dat was gewoon, ook in het westen.
In de godsdienstles kon de pater uitleggen waarom wij katholieken gelijk hadden en niet de gereformeerden met hun predestinatie. Hij tekende op het bord gewoon meetkundig een tijdlijn, waarbij oneindigheid en eeuwigheid natuurlijk hetzelfde waren. En de alwetende God wist wat wij deden, niet omdat wij dat van hem moesten, maar omdat hij het over de tijd heen kon voorzien.

Waar blijven de hoofddoekjes? Want daar zou dit artikel toch over gaan?
Visies op hoofddoekjes zijn heel subjectief. Vandaar dat deze schrijver zichzelf even onthult en laat zien hoe vijftig jaar geleden hoofddoekjes tot ons Nederlandse straatbeeld behoorden, evenals paters en nonnen in religieuze kledij.

Inmiddels hebben wij onze samenleving mooi geëgaliseerd en aangeharkt. Paters en nonnen zijn vrijwel verdwenen. Religieuzen lopen in gewone burgerkleren, al is het nog in de mode van toen. Kerken raken leeg en mannen en vrouwen zitten naast elkaar in de verlaten banken. Hebben we net de samenleving op orde, komen die moslims het beeld verstoren met hun minaretten en hoofddoekjes.

Hebben hoofddoekjes een geloof?
Zo weinig als er halve eeuw geleden werd gepraat of geschreven over de hoofddoek, zo veel gebeurt dat nu. Kennelijk is er een probleem en dat bestaat nog maar een jaar of tien schat ik. Namelijk in de combinatie van de hoofddoek en de (jonge) moslimvrouw.
Natuurlijk waren er al eerder moslimvrouwen in Nederland: vanaf de start van de gezinshereniging. Maar aan die eerste golf veelal ongeletterde moslimvrouwen nam niemand aanstoot. Wie ergert zich immers aan een poetsvrouw met hoofddoek?
Kennelijk spelen in het debat rond de islamitische hoofddoek een paar aspecten tegelijkertijd: religie, gender en klasse. De problemen laaiden op toen jonge vrouwen, soms meisjes nog, hoofddoekjes gingen dragen op scholen, hogere opleidingen, stageplaatsen en in het professionele leven. Toen rezen vragen als: kan dat wel een juriste met hoofddoek bij de rechtbank? Of een docente? Op een openbare school of een christelijke? Scholieren tijdens de gymles? Of studenten voor verzorgende beroepen met een islamitische hoofddoek? Alsof hoofddoekjes een geloof hebben.

Laten we eens inventariseren wat voor- en tegenstanders van de hoofddoek beweegt.

Religieuze verplichting
Volgens heel wat mensen binnen en buiten de moslimgemeenschap schrijft de koran een hoofddoek of sluier voor. Sommige draagsters, hun mannen, hun broers en hun imam beweren dat. Maar het is feitelijk onjuist. De koran kent twee teksten die daarvoor worden gehanteerd. De soera’s 24:31 en 33:59[i]. De eerste adviseert dat vrouwen de schaamstreek kuis bewaren en (…) ‘zij moeten sluiers over hun boezem dragen’ (…). En de ander, die vooral over de vrouwen van de profeet zelf gaat, zegt dat ze ‘iets van overkleding over zich heen naar beneden laten hangen’. Dat laatste bevordert dat men haar herkent (als de vrouw van de profeet) en niet lastig valt.
Vergeet niet dat de teksten geschreven zijn in de zevende eeuw voor een Arabische stammencultuur waar nog veel vrouwen met onbedekt bovenlijf rondliepen. Ze worden nu gebruikt om vrouwen vanaf hun eerste menstruatie het hoofd te laten bedekken, met doek of sluier, nikaab, of zelfs met chador of burka.

Vrouwenonderdrukking
Zo komt een tweede vaak gebruikt argument tégen het hoofddoekje aan bod. Het symboliseert de vrouwenonderdrukking of sterker nog, het is een rechtstreeks gevolg daarvan. De hoofddoek zou aangeven dat de vrouw aan de man ondergeschikt blijft, zijn eigendom is, zich niet mooi mag tonen aan anderen en zeker niet haar verleidelijkheden mag laten zien, waartoe ook haar zwarte haar wordt gerekend.
Dat argument laat zich niet zo maar wegwuiven, want in heel wat situaties kan het voorkomen dat vrouwen of meisjes onder dwang een hoofdbedekking dragen. “Er zijn meisjes die zijn kaalgeschoren door hun broerlief, zodat ze zich niet snel zonder hoofddoek op straat wagen”, vertelt een schooldirectrice uit de Haagse Schilderswijk in Trouw[ii].
Geen zinnig mens zal dit soort praktijken verdedigen. Maar het is evenzeer onjuist om achter elk hoofddoekje een boze man te veronderstellen.

Eigen keuze
Veel jonge moslima’s kiezen bewust uit eigen vrije wil voor een hoofddoek. Omdat ze vinden dat het bij hun geloof past, aansluit bij de ethiek van bescheidenheid[iii] die de islam kenmerkt. Ze hebben niet het gevoel dat hun religie hen klein houdt, integendeel. Ze zullen er op wijzen dat de koran de gelijkheid van man en vrouw predikt en zeer emancipatorisch is geweest in de tijd van de profeet. En als ze stellen dat de islam vrouwen niet hoeft te beperken, kunnen ze naar de geschiedenis wijzen om hun gelijk te halen. De eerste vrouw van de profeet, Chadiedja, was een geslaagde zakenvrouw in Mekka. Zijn jongere vrouw Aisha voerde persoonlijk legers aan[iv] .
Voor veel hoger opgeleiden is de hoofddoek een bevestiging van identiteit geworden, een synthese van moderniteit en traditie[v]. Ze voelen zich geëmancipeerd mét hoofddoek. Immers niet dat lapje stof bepaalt of ze wel of niet zijn geëmancipeerd, maar dat ze zelf kunnen kiezen voor hun opleiding, hun werk, hun partner én hun kleding, met of zonder hoofddoek.

Daad van verzet
Waarom zouden jongeren wel met de meest vreemdsoortige kapsels mogen lopen, met mini-rok of afgezakte slobberbroek, met petjes in allerlei standen en ontstaat er zoveel heisa over een hoofddoek. Omdat het in toenemende mate niet om de domste meisjes gaat die er een dragen. Omdat ze het bewust doen en een boodschap uitdragen die ook overkomt: een daad van verzet. Dat gebeurt in Nederland en ook elders. (In Marokko draagt 70% van de hoogopgeleide meisjes een hoofddoek, slechts 25% van de lager opgeleide.)
Met de hoofddoekjes onderscheiden ze zich van de Westerse cultuur. Daar hebben ze heel wat redenen voor, naar hun gevoel. Het is een reactie op de Westerse samenleving die hun alleen de keuze wil laten tussen volledige assimilatie of marginalisatie. Deze ‘protestmoslima’s’ grijpen terug op hun religieuze en etnische identiteit[vi].
De hoofddoek en sluier als daad van protest zijn niet nieuw. Ze werden ook ingezet in Egypte tegen de Britse overheersing, in het Iran van de sjah tegen zijn te Westerse regime. En nu dus weer in het algemeen tegen het Westen dat als imperialistisch wordt beschouwd en als vijandig. Want de Euro-amerikaanse culturele overheersing gaat in hun ogen gepaard met xenofobie tegen islam en moslims[vii].
De tegenstanders van het hoofddoekje kunnen zich daar erg kwaad om maken, zoals we hierna zullen bespreken. Maar de positieve kant wordt door anderen gezien. “Hadden jongens maar een hoofddoekje”, zei laatst een allochtone onderzoekster in een interview[viii]. Ze bedoelde: die meisjes kunnen hun protest kwijt in hun hoofdtooi, de jongens vallen soms op heel wat gewelddadiger acties terug.

Gevaar: fundamentalisme
In de daad van verzet schuilt volgens de felste tegenstanders van de hoofddoekjes ook het grootste gevaar. Voor hen krijgt het dragen van de hoofddoek een politieke lading en geen vrijblijvende. De hoofddoek wordt gezien als een uiting van steun aan het moslimfundamentalisme. En het moslimfundamentalisme staat, zeker sinds ‘elf september’, gelijk aan terrorisme. Kortom de hoofddoek wordt niet meer beschouwd als een symbolisch protest tegen de Westerse a-morele samenleving die de islam kleineert, maar als een rechtstreekse aanval op onze democratische staat. De hoofddoek groeit uit tot een strijdvlag van de djihad.
Lezer, schud niet het wijze hoofd over de ongelofelijke generalisatie die in deze stelling schuilt en over de vooroordelen die er in doorklinken. Zeer respectabele schrijvers in even respectabele media hanteren deze redenering, zeker recent in de verdediging van de Franse wet tegen de hoofddoekjes op openbare scholen.
‘Weg met de hoofddoek’ luidde het paginagrote artikel van Sylvain Ephimenco in Trouw[ix]. “De fundamentalisten beseffen de kracht van de visuele aanwezigheid, van de zichtbaarheid van de islam in het straatbeeld. Daarom willen zij de hoofddoek”, begint zijn artikel. Hij ziet de hoofddoek als een werktuig om een bres te schieten in de seculiere wal. In dat verband haalt hij aan dat de minderheid bezig is de staat te destabiliseren. Dat op het Franse hoofddoekverbod een ‘razernij van fundamentalisten’ is gevolgd. Kortom taalgebruik dat zich uitstekend leent om vuurtjes aan te stoken. En een redenering die steeds neerkomt op: hoofddoek = politieke islam = fundamentalisme = terreur.

Anti-religieus
Zowel in dit artikel, als in de een week eerder verschenen beschouwing in Newsweek[x] van Midden-Oosten specialist Gilles Keppel staat de seculiere staat in de vorm van het extreme Franse laïcisme als hoogste goed boven elke verdenking. Dat deze bijna anti-religieuze staatsordening door menigeen kan worden gezien als in strijd met de mensenrechten[xi] en in ieder geval met de religieuze gevoelens van mensen, komt geen moment aan bod.
Sterker nog, Keppel die waarschuwt voor de culturele forten van de islam in de Franse voorsteden, vermeldt in zijn artikel niet één keer de rol van de vrouw. Dat het vrouwen zijn die een hoofddoek dragen, gaat kennelijk aan hem voorbij, evenals de motieven die ze er wellicht voor hebben. Hij is alleen geïnteresseerd in de mannelijke strijd om de macht, in zijn ogen tussen de Franse seculiere staat en de islam-fundamentalisten.
Dergelijke arrogante beschouwingen zullen het dragen van hoofddoeken als protest niet ontmoedigen.
Met dit type gemakzuchtige en kortzichtige verklaringen proberen schrijvers de hoofddoek aan de kaak te stellen, als wapen in de strijd, als strijdvlag. In wezen gebruiken ze de hoofddoek als schaamlap, voor zichzelf wel te verstaan. Als schaamlap om hun eigen vooroorden achter te verbergen, die meestal anti-religieus zijn, zeker anti-islam en daar waar ze zelfs de draagsters over het hoofd zien manifest anti-vrouw.

Samenvattend: de hoofddoek is géén religieuze verplichting, ook al zitten er zeker religieuze aspecten aan. Hij kan onder dwang worden gedragen, maar is in toenemende mate een bewuste keuze van de draagsters die daar een eigen identiteit mee uitdrukken en afstand nemen van bepaalde aspecten van het Westen.
Maar degenen die in elke afwijzing van de Westerse cultuur een aanval op de samenleving zien, jagen spoken na of roepen ze op. Uit alle onderzoeken is bekend dat slechts een kleine minderheid van de moslims fundamentalistisch is in de politieke betekenis die er tegenwoordig aan wordt gegeven. De grote meerderheid, mét en zonder hoofddoekjes, is dat niet. Ook al heeft ze vaak en terecht heel wat kanttekeningen bij de seculiere Westerse heilstaat.

Mondt deze beschouwing uit in een pleidooi geen enkele belemmering meer op te werpen voor de hoofddoek in Nederland?
Nee, zover niet. Er kunnen praktische bezwaren zijn in werksituaties en die moeten serieus worden genomen. In sommige functies speelt het neutrale aanzien van het ambt een rol, denk aan rechters die bij uitstek de neutraliteit van onze rechtstaat moeten uitstralen. Een duidelijke identificatie met een religie kan inbreuk maken op die neutraliteit.
Ik kan me persoonlijk iets dergelijks ook voorstellen bij een godsdienstdocent(e) op een openbare school. Zo min als een pastoor met priesterboord op een openbare school godsdienstles moet geven, zo min zie ik dat ook een docente met hoofddoek doen. In die zin kan ik me de problemen rond de aankomende docenten met hoofddoek wel voorstellen[xii].
Minder principieel en meer praktisch van aard zijn de bezwaren die andere werksituaties met zich meebrengen. Soms kan een hoofddoekje gevaarlijk zijn in verband met machines, of zal een nikaab de communicatie belemmeren. Dat is niets nieuws. Ook in de pré-islamitische samenlevingen, waaruit de hoofddoek stamt, werd hij vooral gedragen door vrouwen uit de hogere klassen[xiii] en niet door plattelandbewoonsters die er alleen maar hinder van hadden bij hun werk.

Zolang die bezwaren feitelijk en functioneel te onderbouwen zijn, moeten ze serieus worden genomen. Maar verder zou het hoofddoekje moeten worden teruggebracht tot wat het is. Geen strijdvlag, geen schaamlap, maar een kledingstuk waar vrouwen bewust voor mogen kiezen. Zonder opgaaf van redenen.

Noten:
[i] Vertaling: Fred Leemhuis
[ii] Trouw, 12 juli 2001
[iii] Sa’dayya Shaikh: Islam, Feminisms and Politics of Representation.
[iv] Amira Sonbol: Rethinking Women in Islam.
[v] Sa’dayya Shaikh: a.w.
[vi] Inez van der Spek: Als religie maar sexy en smaakvol is…
[vii] Sa’dayya Shaikh: a.w.
[viii] Eindhovens Dagblad, 31 januari 2004.
[ix] Trouw, 21 februari 2004.
[x] Newsweek, 16 februari 2004.
[xi] Artikel 18 van de Universele Verklaring der rechten van de mens: Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, van geweten en religie; dit recht sluit in de vrijheid om van religie of geloof te veranderen, en de vrijheid om alleen of tezamen met anderen, in het openbaar of privé, van zijn religie of geloof te doen blijken in onderwijs, dagelijks leven, eredienst en bij het naleven van religieuze voorschriften.
[xii] Trouw, 6 februari 2004: Ik zou jullie nooit als docent willen.
[xiii] J. Smith: Islam.