woensdag 13 mei 2015

Wiet is verdriet



Tilburg is het ergste

“Tilburg is crimineler dan Den Haag. Daar sprak niemand over wiet. Hier in Tilburg  was het normaal. In de koffiehuizen praatten ze openlijk. ‘Hoeveel heb je er af gehaald, hoeveel kilo? Hoeveel droog en hoeveel nat?’ Als je één keer naar het koffiehuis ging, wist je alles.”

Hij klinkt nog verbaasd als hij er op terug kijkt. Laten we hem Bülent noemen, een Turkse man van midden dertig, die fors in  de wietteelt en –handel heeft gezeten. Niet zijn echte naam, omdat hij bij zijn vroegere vrienden niet de indruk wil wekken dat hij al te veel uit de school klapt.

Geboren in Turkije en later als zestienjarige herenigd in Den Haag met zijn ouders. Zijn vader kwam hierheen als gastarbeider, zijn moeder volgde en nog later arriveerden de kinderen. Via zijn vrouw raakt hij vervolgens in Tilburg. “Een rustige stad. Geen bakkerij open op zondag in die tijd.”  

Bülent is een handige jongen, in allerlei opzichten. Hij kan tegels leggen, in de bouw werken, elektriciteit aanleggen, maar ook organiseren, mensen aan het werk zetten en als koppelbaas fungeren. Hij heeft een goed inkomen als hij in Tilburg komt. Maar in een koffiehuis gaat het zó vanzelf…. 

“Ze komen naar je toe. Vragen wat voor werk je doet. Maken kennis. Vragen of je een ‘plaatsje’ voor ze wil zetten, voor de wiet.  Of dat je misschien relaties hebt in België of Duitsland. Ze laten een stapel geld zien of een mooie auto. Zo trekken ze je er in.”

Hij geeft niemand anders de schuld. “Het was stom van mij zelf om er mee te beginnen. Het was meer de spanning, de adrenaline. Ik had geld op de bank  van mijn normale werk. Had het niet nodig. Ik zag het als een bijbaantje.”

In de Tilburgse schoonfamilie zat ook een aantal mannen in de wiet. Zijn vrouw vond het toen normaal. “Ik kende wiet eigenlijk niet eens. Ik dacht dat ze ‘wit’ zeiden en cocaïne bedoelden. In Turkije maken ze touw van hennep.”

Elektriciteit
Zo kwam Bülent er in terecht. Eerst mee helpen verbouwen. Dan zakken aarde naar zolder sjouwen. Zien dat je de elektriciteit wel wat handiger kunt aanleggen. In gewone woonhuizen van gezinnen.  Hij hoorde er hoe snel alles groeide en hoe er geoogst werd. “In het koffiehuis zeggen ze dat je weinig risico loopt. Dat je zeker de eerste keer geen straf krijgt. Zo praten ze, om je over te halen.”



Kortom, hij belandde zelf midden in de kweek en handel. Verhuurde een bedrijfspand dat hij oorspronkelijk voor zakelijke doeleinden zelf had gehuurd. Liet ook in huizen buiten Tilburg kweken en oogsten. Bouwde een netwerk,  bemiddelde tussen vraag en aanbod. En verdiende goed, heel goed.

Uit die tijd weet Bülent: geld is niets waard. “Wat is 100.000 euro? Zo op, als je ze zo gemakkelijk verdient. Je koop een auto van 65.000 euro. Je doet stoer. Om een discotheek in Den Haag nog een uur na sluitingstijd door te laten draaien, legde ik 14.000 cash op tafel. Ik heb mannen met steentjes zien gooien met een miljoen op tafel. Een fooi zien geven van 14.000 aan een meisje.”

Gevangenis
Hij is gepakt en gestraft. Niet voor de wiethandel. Maar omdat hij zijn bedrijfspand had verhuurd aan iemand die er – zonder dat hij het officieel wist – 1600 plantjes had staan. Hij dacht buiten schot te blijven. Maar helaas. Zes maanden gevangenisstraf, wel in een open gevangenis.

Pas toen kwam zijn eigen moeder er achter wat haar zoon daar in Tilburg uitspookte. Ze wilde hem niet meer en nooit meer zien. Zijn kinderen kwamen wel op bezoek in de gevangenis, maar kregen te horen dat papa daar in het ziekenhuis zat. Hij schaamde zich. De bewakers werkten mee en bleven daarom uit zicht.

Nee, hij is niet gestopt vanwege die gevangenisstraf. Dat was een makkie in die open inrichting. “Ik ben voor mezelf gestopt. Voor mijn broer. Voor mijn kinderen. Ik wil niet dat ze zeggen: mijn vader is kweker.” Hij heeft drie meiden. De oudste zit al op vwo. Daar is hij trots op. Ze bespelen alle drie een instrument. Leren  meerdere talen. “Ik wil geen geld achterlaten voor hen. Geld is zo op. Ik investeer in de kinderen: dat ze kunnen leren en zelfstandig leven.”

Jongeren worden verpest. “Ze zitten er bij in de koffiehuizen en denken: dat ga ik ook doen. De jongens om stoer te lijken. De meiden om mooie kleren en de laatste mode. Wiet kweken vinden ze normaal op 17 en 18 jaar. Van de handel in wiet stappen ze over op hard drugs. Makkelijker en minder volume. Ik ben misselijk geworden van het werk. Huwelijken gaan er aan kapot.”

Hij heeft nu een eerzaam bedrijfje samen met een vriend en een paar medewerkers.  Verdient veel minder dan toen hij in de wiet zat, maar voelt zich veel veiliger. Hij kent veel van de mensen die de laatste jaren geliquideerd zijn, maar heeft contacten in dat circuit afgebroken. Vrienden heeft hij meermalen gewaarschuwd. Vaak tevergeefs. Veel zijn er in de gevangenis beland. “Ik hoop dat iedereen die logisch nadenkt, stopt met de wiet. Wiet is verdriet. Zó heb je duizenden euro’s en zó ben je platzak en word je bedreigd.”

Natuurlijk is het beste als mensen op morele gronden stoppen of weigeren. “Maar Nederland moet ook zelf aanpakken. Bij de achterdeur van de koffieshops moet aangeleverd worden! De straffen moeten ook strenger. Anders blijven mensen zoeken hoe ze zo snel rijk kunnen worden.”

Interview: Hulya Cigdem en Arnold Verplanckein het kader van Alinteri013


zondag 12 april 2015

Hansweert: Klein Antwerpen


Knooppunt in West-Europa


Het Zeeuwse dorp Hansweert kon een eeuw geleden pronken met titels als ‘Klein Antwerpen’en ‘Knooppunt in West-Europa’.  Het kanaal dat midden negentiende eeuw dwars door Zuid-Beveland werd gegraven, zorgde voor veel extra  scheepvaart. De schepen voeren Hansweert niet alleen meer voorbij over de Schelde naar de Antwerpse haven; het nieuwe kanaal leidde de binnenvaart van Antwerpen via Hansweert naar Rotterdam en verder naar Duitsland. Het werd zo druk, dat rond de Eerste Wereldoorlog een derde sluis nodig was. Die ging in 1917 open.


Hansweert groeide uit tot een echt knooppunt voor de binnenvaart in West-Europa. De middenstand groeide, café’s schoten uit de grond (vandaar ‘Klein Antwerpen’), winkeliers lieten ‘leurders’ met hun waren langs de sluizen lopen of fietsen. Parlevinkers belaagden de schippers vanuit hun kleine roeibootjes.


Als jongen kwam ik in de jaren vijftig en zestig vaak in Hansweert. Mijn moeder was er geboren en veel van haar familie (ooms en tantes) woonde er nog. Mijn grootouders gingen er regelmatig heen met hun Renaultje en als oudste kleinzoon mocht ik graag mee. Zowel voor als vlak na de Watersnoodramp in 1953.


Het bedrijvige dorp heb ik nog meegemaakt. Graag liep ik over de bruggetjes van de drie sluizen of wandelde ik naar ‘de punt’ die een eind de Schelde in stak, om bij het vuurtorentje naar de enorme watermassa te staren en de schepen te zien.



In de goede jaren werkten meer dan 200 mensen op de sluizen, niet alleen sluispersoneel en onderhoudsmensen, maar ook douaniers en marechaussee. Begin jaren zeventig passeerden 100.000 schepen het kanaal door Zuid-Beveland en dus de sluizen van Hansweert.

De klad komt er in als het Schelde-Rijnkanaal in 1975 open gaat. Veel schepen nemen dan de kortere route tussen Antwerpen en Rotterdam.
De doodsteek volgt een jaar of tien later, als het nieuwe grote sluizencomplex open gaat en de drie oude sluizen buiten gebruik raken.

Ik heb nog geschreven in het toenmalige nieuwsmagazine Nieuwsnet over de aanleg van de sluizen, waarvoor het oostelijke deel van Hansweert onder water werd gezet. 



De reportage over het ten dode opgeschreven Hansweert-Oost met zijn mooie bejaardentehuis Maria-oord vergeet ik nooit. Rustend in de mooie tuin, vlak achter de hoge dijk, waar menig oud familielid van mij zijn laatste dagen had gesleten, besefte ik: dit staat straks allemaal onder water. Die immens hoge dijk achter de tuin verdwijnt en de Schelde stroomt hier binnen.


Hansweert is nu zelf een bejaard en slapend dorp. De kleine sluis, vlakbij het dorp is nog goed te herkennen. 

De sluisdeuren zijn intact, maar het water is weg uit de sluis. 


Een paar jaar geleden is de bak van de sluis nog gebruikt in het Zeeland Festival om er zomers theatervoorstellingen te geven.



Van de middelste en van de vroegere grote sluis zijn alleen nog de contouren zichtbaar.

Ver weg van deze vergane glorie ligt het nieuwe immense sluizencomplex, waar sinds de opening in 1987 geen parlevinkers meer mogen komen. Het schutten duurt in de nieuwe sluiskolk nog maar vijf minuten en geen uren. Dus weinig meer te verdienen en veel te gevaarlijk om daar met waren te leuren. En verboden dus. Sindsdien is de middenstand gedecimeerd, zijn café’s gesloten en veel arbeiders en ambtenaren weggetrokken uit Hansweert.


Wat niet verdwenen blijkt: de katholieke kerk met daarnaast het oude kerkhof, vol familiegraven. 


Mijn overgrootouders liggen er, Jacobus Kuif (1855-1931) en Christina Theodora Post (1856-1935): de ouders van mijn grootvader Arnoldus Kuif. En veel broers en zussen van mijn oma Cornelia Kuif-Van Ertvelde: de tantes Fien (Seraphina) en  Piel (Pelagia), de ooms Leo (Leonardus) en Fons (Alphonsus).

Rondlopen achter die kerk levert nostalgische herinneringen op aan een mooie tijd en lieve oude familieleden in een bedrijvig dorp. 


Tussen oude foto’s tref ik mijn grootvader aan, Arnoldus Kuif, naar wie ik ben genoemd. Hij reed een eeuw geleden als machinist op een kieptreintje bij het kanaal, waarschijnlijk kort na de Eerste Wereldoorlog. Aan zijn vest hangt een oud zakhorloge dat ik nog steeds bewaar.



Niets herinnert nog aan die noeste arbeid, als je die hoge dijk langs het kanaal nu ziet.

In het Hansweert van nu moet je oog hebben voor de details om het verleden te zien herleven.

Een groot scheepsanker ligt op een dijk.


Bij eb steekt de kiel van een vergaan schip nog net de kop op.


Rond de oude sluizen zijn nuttige informatiezuilen geplaatst die herinneren aan het grootse verleden  van Hansweert




Al lezend en lopend komt het oude Hansweert weer even terug in zijn vroegere bedrijvigheid.


Dwalend over het oude kerkhof openen de grafstenen een rijke familiegeschiedenis.





















Mijn overgrootouders liggen er: Christina Theodora Post (1856-1935) en Jacobus Kuif (1855-1931).





















Tante Fien (Seraphina van Ertvelde 1899-1974), de zus van mijn oma, ligt er begraven. Samen met haar man, oom Adriaan Dommanschet (1897-1966), die op de (later gesloten) scheepswerf werkte. De geboortedatum van tante Fien staat trouwens verkeerd op haar grafsteen. Het is niet 1884 maar 1899, ze was de net iets oudere zus van mijn oma.


Oom Leo (1896-1984), die op de Werfdijk woonde en met een baggerschip nog wel eens in Leiden is geweest, vlakbij de Haven.






Niet te vergeten oom Lodde en tante Piel, namen die bij ons in Leiden altijd de lachlust opwekten. Voluit heetten ze Ludovicus en Pelagia.


Een soort staatsiefoto van een deel van die generatie Van Ertvelde in Hansweert. Van links naar rechts tante Fien (Seraphina), oom ‘Arjaan’(Adrianus), tante Piel (Pelagia), Cornelia (mijn oma), oom Jan, Arnoldus Kuif (mijn opa), tante Wanne, Bertha, dan een vrouw die ik niet herken, Finus (zoon van Jan en Wanne) en de laatste vrouw rechts ken ik ook niet.

Op de foto ontbreekt een groot deel van het gezin Van Ertvelde, dat volgens de overlevering wel 19 kinderen telde. De al eerder genoemde oom Leo staat er niet op.


Ook mis ik oom Fons, de oude vriendelijke baas met slechts een enkele tand voor in zijn mond. Alphonsus leefde van 1878-1969 en reed op hoge leeftijd nog op zijn bromfiets dijk op en dijk af.

Ook de toen in Antwerpen wonende tante Mie mis ik. Die had daar een café, zeiden ze hoofdschuddend.

Lopen door Hansweert en over het kerkhofje betekent bladeren in mijn geheugen.

ARNOLD VERPLANCKE 


dinsdag 13 januari 2015

De gewone moslim als tegengif



Praten in plaats van schieten

Zouden ze nog leven? Dat vragen we ons vaak af als we weer beelden zien van de burgeroorlog in Syrië, van de verwoestingen in steden als Homs, Hama en Aleppo. Hoe zou het zijn in de dorpen, met de vriendelijke en vredelievende mensen die we hebben ontmoet?

Als je steeds maar aanslagplegers op televisie ziet die Allahu Akbar roepen, dan lijken alle moslims uit op geweld. Maar reizend door het Syrië van voor de oorlog, door Jordanië, door Iran ontmoet je slechts vreedzame en open mensen. Net als iedereen in het Westen zoeken ze voor zichzelf en hun kinderen  een beetje voorspoed in het leven, zijn ze blij met een eerste computer, blijken ze nieuwsgierig naar bezoekers uit het Westen en zien ze in toeristen een teken van vooruitgang en toenadering.

Als beelden maar vaak genoeg worden herhaald, dan staan ze in je geheugen gegrift. Dat geldt voor de neergeschoten politieman op de stoep bij de aanslag in Parijs. Maar ook voor de vliegtuigen die in de Twin Towers vlogen. Ik kon de herhalingen niet meer aanzien! Of indertijd de stilstaande treinen. Ik was als verslaggever bij de Molukse treinkapingen. Jarenlang ging mijn hart sneller kloppen als ik een stilstaande trein in een landschap zag staan, die even wachtte voor een rood sein.

Tegengif

De Allahu Akbar-roepers met hun kalasjnikovs en de repeterende beelden van hun schietpartijen verpesten het voor al hun gewone geloofsgenoten. De islam dreigt identiek te worden met geweld en gevaar. Niet iedereen heeft de gelegenheid gehad om voldoende tegengif op te doen. Door te reizen in Syrië en in een willekeurig dorp op bezoek te gaan bij een gewoon gezin. Een vader die zijn vrouw en veertien kinderen onderhoudt dankzij zijn olijfbomen. De dorpsonderwijzer wordt er bij gehaald om een goed gesprek aan te gaan met de bezoekers uit het verre Nederland. In de Koran zoeken ze voor ons gezamenlijke grond in de Soerat Marjam, die vertelt over de maagd Maria en de geboorte van Jezus. Dochters zetten zoete thee met in het kookwater veel suiker. Mannen en vrouwen zitten op de grond op tapijten en slechten samen de taalbarrières, waarbij humor en misverstanden elkaar afwisselen.

Als je dat meemaakt, dan weet je: aan die gewone moslims ligt het niet dat een stel malloten uit hun bol gaat en mensen dood schiet.


In een ander Syrisch plattelandsdorp komen we binnen bij een iets welgestelder gezin. Dat blijkt uit hun eerste computer met internetverbinding die de man trots toont. Het is dan nog 2007. Ver weg in Damascus heerst de dictatoriale president Bashar al-Assad, maar hier verder naar het oosten komen gastvrij de zelfgemaakte hapjes en speciale thee op tafel. De man showt zijn pc en de vrouw haar trouwfoto’s en samen zijn ze trots op hun vijf kinderen, die ze zo graag in voorspoed en vrede zien opgroeien. De oudste studeert dan al in Aleppo. Als ik aan hen denk, schuiven de beelden van verwoeste steden er altijd tussen. Al dat oorlogsgeweld van een paar jaar later. Hoe hebben ze dat doorstaan? Of niet?

Respecteren

Op reis in Jordanië blijkt Joke in de vrouwenmoskee een geliefd en bijna geliefkoosd object. Ze krijgt uitnodigingen om bij de een op bezoek te komen en bij de ander en bij nog een volgende. Als we bij een vrouw en haar dochter thuis aanschuiven en bijna verlegen zien hoeveel lekkers op tafel komt, blijken ook de gesprekken weer even open als tijdens eerdere ontmoetingen. Natuurlijk zijn ze moslim en daar voelen ze zich goed bij. Maar ze staan open voor andere culturen en opvattingen. De volwassen dochter heeft getolkt voor de Amerikanen in Irak en heeft ook in de VS gestudeerd. Ze draagt geen hoofddoek, maar ze sluit niet uit dat in de toekomst misschien wel eens te gaan doen. Dat maakt ze zelf wel uit. Nee, met een Amerikaan wil ze niet trouwen. De partner die ze zelf zal kiezen, moet wel bij haar cultuur en opvattingen passen. Maar tegelijk haar vrijheid respecteren.

Schietgrage terroristen laten mensen denken dat hun landen van herkomst achterlijk zijn en in onvrijheid gedompeld. Op eigen houtje reizend door het Syrië van vóór de huidige burgeroorlog en door Jordanië, krijg je gelukkig een heel ander beeld. Van arm tot rijk hoopt iedereen op vrede en veiligheid en een goede toekomst voor de kinderen.


 Veelkleurig Iran

En in Iran dan, het land dat jarenlang het grootste gevaar vormde volgens de VS? Daar is het niet wezenlijk anders, blijkt in 2013. De volledig omhulde vrouwen in de zwarte chadors die steeds op de Westerse tv-schermen figureren, blijken een minderheid in het kleurrijke straatbeeld. Jongelui lopen er maar weinig anders bij dan in een gemiddeld Westers land. Uitgezonderd natuurlijk de hoofddoek die vrouwen wettelijk verplicht zijn te dragen, maar die bij menigeen ver op het achterhoofd wordt geschoven.


In de privacy van de huiskamer gaan niet alleen de  lange rokken uit, maar vallen ook de reserves weg om over politiek en religie te praten. Binnen de brede middenklasse die het hoogontwikkelde land nu rijk is, pleit niemand voor de dictatuur van de sharia. Integendeel,  de gewone burgerlijke vrijheden, die zij kennen van de satellietzenders uit de vele buitenlanden, is wat hen aantrekt. En over religie praten ze ook vrijuit. De een verklaart zich openlijk atheïst, de ander beschouwt zich wel moslim, maar heeft toch meer op met de vreedzame profeet Isa (Jezus) dan met de soms gewelddadige Mohammed. En tegelijk kan een orthodoxe vrouw zich terugtrekken in de zijkamer om haar avondgebeden te doen op een rein vloerkleedje.


Meningsverschillen binnen één familie die met elkaar in vrede en respect leeft. Toch zijn ze het over een ding wel eens: geen revolutie in Iran please, geen oorlog, wel een vreedzame evolutie.


Soms is het hard nodig om aan die ervaringen terug te denken als tegengif tegen de tv-beelden van extremisten die door godsdienstwaanzin gegrepen lijken. Je zou het niet meer geloven, maar één van de betekenissen van het woord ‘islam’ is vrede. Salaam, sjaloom.

ARNOLD VERPLANCKE

donderdag 25 december 2014

Een alternatief kerstverhaal

Laatste hellevuur



Een druilerige kerstavond en dan nog de weg kwijt ook. De stad is me onbekend, maar het hotel kan niet ver weg zijn. Het regent niet hard, maar miezert vervelend en nat.

Opzij zie ik een steegje omlaag lopen. Aan het eind brandt een vreemd vuur naast een man. Nieuwsgierig als altijd schuifel ik de stenen traptreden af. Altijd op zoek naar een exotisch avontuur om thuis te vertellen.

Hij kijkt en knikt. Alsof hij me verwacht. ‘Het is bijna uit’, mompelt hij. ‘Nog even en dan voorgoed.’
-          Wat voor vuur, vraag ik, naar woorden in zijn taal zoekend.
‘Van de hel,’’ klinkt het achteloos. ‘Het vuur van de hel gaat uit. Heeft geen zin meer. Hij stuurt er niemand naar toe.’
-          Je bedoelt God, probeer ik hem te volgen.
‘Ja. Mensen zijn nooit echt helemaal slecht. Nooit door en door verdorven. Niet zo erg, dat ze voor eeuwig…’en zijn hoofd wijst naar het dovende vuur.
-          Dus we gaan allemaal naar de hemel? Ik geloof mijn eigen woorden niet en formuleer voorzichtig en aarzelend.
‘ Nee, die gaat tegelijk op slot.’ Hij bekijkt me even. Ben je nou echt zo dom, lijkt hij te denken. ‘Geen mens is ook helemaal goed. Niet dat je voor eeuwig zo verheerlijkt zou moeten worden.’
-          Dus als we doodgaan, allemaal naar een vagevuur? Ik kan me niet voorstellen dat ik dit gesprek serieus voer met een onbekende man ergens onderaan een doodlopende steeg.
‘Vagevuur?’Hij lacht schamper. ‘Dat hebben jullie mensen zelf bedacht. Heeft nooit bestaan.’
-          Maar wat dan? Ik bedoel na onze dood? En what about dat Laatste Oordeel? Ik graaf in mijn geheugen naar de beloftes die me ooit zijn gedaan.

‘Dat is hetzelfde toch. Het oordeel en het Laatste Oordeel. Daar zit geen verschil tussen. Tijd is ook iets wat jullie mensen hebben bedacht. Hij is eeuwig. Voor Hem is eeuwigheid een seconde en een seconde eeuwigheid.’

Hij schudt zijn hoofd over zoveel onbenul. ‘Jullie kunnen echt niet uit de voeten met een blijde boodschap he? Ik zal het nog één keer zeggen: de hel bestaat niet en de hemel ook niet. Nou gerust gesteld?’
-          Maar na de dood dan?
‘Dan ben je dood. Voor Hem zijn leven en dood trouwens dezelfde punt in de eeuwigheid. Dat snap je toch. Je kunt net zo goed zeggen dat je eeuwig leeft als dat je eeuwig dood bent. Is alle twee tegelijk waar.’
-          En geen beloning of straf?
‘Hoe je met jezelf leeft, is je beloning of straf, als je dat zo wilt noemen. Het resultaat maak je zelf. Zowel in jullie tijd als in Zijn eeuwigheid.’


Verward keer ik hem de rug toe. Achter me dooft het vuur en sluit het duister zich. Ik slof de treden op, maar het voelt als omlaag. Alsof de wip de andere kant op zakt. Naar de weg, waar het hotel glimmend op me wacht.

Nog één keer kijk ik om. Geen steegje te zien. Geen vuur ook.
Dat is toch geen verhaal om thuis na te vertellen.
Er zijn en niet zijn tegelijk! Wat een onzin.
Ik ben, dat weet ik zeker, want ik schrijf toch!

Arnold Verplancke



zaterdag 6 december 2014

Zuinig op zijn


Rijke Roomsche Leven

Er leek de laatste decennia wel een taboe op te rusten, op het Rijke Roomsche Leven. Wees er toch zuinig op! Latere generaties zullen met ongeloof zien wat er allemaal is verdwenen uit het stadsbeeld als we nu niet zuinig zijn op de restanten.

Ik denk daar aan, als ik wandelend door Tilburg gelukkig nog overblijfselen van het oude aantref en ook vertalingen naar het heden. Het beeld van de drie ‘zusters’, naast de mooie Concertzaal van Tilburg is van dat laatste een goed voorbeeld. Ze komen zo uit het Moederhuis van de Zusters van Liefde aan de Oude Dijk.




Echt oude Tilburgers weten nog hoe religieuze zusters in de hoogtij van het Rijke Roomsche Leven in processie mee liepen.


Nu de Kersttijd nadert en de geboorte van Jezus van Nazareth centraal staat, trekt dit tegelplateau ook de aandacht: de Heilige Familie aan het werk. Moeder Maria kennelijk met een verstelwerkje op schoot, vader Jozef aan het werk als timmerman en zoon Jezus ook bezig in vaders werkplaats. Ongetwijfeld zullen Hij en zijn broers als jongens hebben moeten helpen.



De afbeelding is te vinden hoog aan de gevel van Huize Nazareth en doet me denken aan de kerstmarkt in Sevilla die nu ongetwijfeld weer in volle gang is in Zuid-Spanje. Op die kerstmarkt kun je beeldjes en beeldengroepen vinden in alle vormen en kleuren. Hele Romeinse legioenen, hordes Egyptenaren, maar ook bewegende beeldjes van onder anderen een zagende Jezus aan vaders werkbank.



Als ik even doorstap en langs de Heikese kerk loop, met links een verleidelijke rij kroegen, zie ik aan de gevel dit beeldje. Zijn dat niet de drie wijzen uit het Oosten, met hun geschenken, ook wel de Drie Koningen genoemd? Met boven hen de ster. Of ga ik nu te ver?

ARNOLD VERPLANCKE

maandag 17 november 2014

Tilburgse vijfsprong

Spannendste kruispunt



Jammer dat de wintermaanden aanbreken en veel terrassen zich tijdelijk terugtrekken. Het lekkerste terras vind ik aan de vijfsprong, tevens het spannendste kruispunt van Tilburg. Daar waar Nieuwlandstraat, Tuinstraat,  Stationsstraat, Noordstraat en Korte Schijfstraat elkaar kussen. Bij De Spaarbank waar vroeger de Tilburgers hun geld weg brachten en nu nog.

Een unieke plek met meerdere terrassen waar het gefriemel van fietsers, voetgangers, scooters en hardnekkige automobilisten steeds voor veel vermaak zorgt. Een onmogelijke vijfsprong waar eigenlijk veel ongelukken zouden moeten gebeuren, maar waar iedereen nog tijdig het vege lijf redt, op de rem trapt of slingerend uitwijkt. (Op de foto een stil moment waarop de monden van de vijf straten goed te zien zijn.)

Auto’s die denken Tilburgs cityring te slim af te zijn, scooters die geen snelheidsbeperking kennen, maar dáár toch wel even uitkijken, fietsers van alle leeftijden: het krioelt allemaal en haalt ongedeerd de overkant.

Internationale allure
Bekend op internet zijn de filmpjes van een kruispunt in India waar het verkeer op een ongelofelijke manier door elkaar rijdt zonder botsingen. De vijfsprong bewijst dat Tilburg internationale allure heeft. Je zou met een hooggeplaatste camera dit levende hart moeten vastleggen en versneld afspelen. Zou me niet verbazen dat het buitenland zo gecharmeerd raakt van dit oer-Nederlandse tafereel, dat een Holland House in Japan het nabouwt.

Terrassen
Wat de grootsteedse sfeer nog versterkt, is dat een buitenstaander niet kan raden welk terras bij welk café hoort. Het terras voor Stadscafé De Spaarbank blijkt bediend door Eetcafé Langeboom. Kelners van De Spaarbank steken de straat over, om het terras tussen twee straten van drankjes en hapjes te voorzien. Het zal iedereen een zorg zijn, die op tijd zijn gulle glas Belgisch bier en bitterballen krijgt.

Soms moet ik nog even terugdenken aan al het gedoe van zoveel jaar geleden. Toen de vijfsprong opnieuw werd ingericht. Protesten omdat een grote boom zou verdwijnen en de vijfsprong zijn karakter zou verliezen. In mijn herinnering waren er demonstraties en protesten en een nachtelijke actie.
Eerlijk gezegd kon ik laatst, geriefelijk weggedoken in de kussen van de terrasbank, niet eens meer verzinnen hoe de kruising er vroeger uitzag. Zo lossen allerlei problemen zich vanzelf op.

Ooohhh kijk, nee dat ging nog net goed. Gelukkig. De scooter ging sneller en de kinderwagen langzamer dan ze van elkaar dachten. Ja die dingen gebeuren. Weer goed afgelopen…


ARNOLD VERPLANCKE

vrijdag 7 november 2014

Brokx en Karel Doorman

What’s in a name?




‘Burgemeester Brokxlaan’, spelde de man omhoog turend en hij wees met zijn wandelstok naar het straatnaambordje. ‘Was die man burgemeester net na de oorlog, uit het verzet ofzo?’

De geschiedenis van Tilburg is niet mijn sterkste punt, maar Gerrit Brokx heb ik als hooifdredacteur van de lokale krant zelf vaak genoeg gesproken. Dus ik hielp de oude man uit de droom en vertelde dat Brokx van recenter datum was.
‘Waarom zetten ze dat er dan niet bij,’ mopperde hij. ‘Waar ik geboren ben, had je de Koningin Emmastraat. Stond netjes bij dat ze regentes was. Ik thuis nog vragen wat een regentes was. En Van Oldenbarneveltlaan. Dat was een raadspensionaris. Stond er ook bij. Zo leerde je nog wat.’



‘Waar mijn dochter woont heb je straten met zeehelden. Daar staat het er nog wel bij. Karel Doormanlaan enzo. Maar toen ik met haar naar Noord ging hier in Tilburg, zag ik ook allemaal straatnamen zonder uitleg. Mahlerpad. Weet straks geen mens meer dat hij een componist was. Wel negen grote symfonieën en dan zo klein padje.’ Hij schudde zijn hoofd over zoveel onrecht.

‘Maar die Brokx, wat heeft die dan voor goeds gedaan? Waarom krijgt die zo lange straat?’
Ik schaam me, maar ik had zo gauw niets anders paraat: ‘Hij heeft gezorgd dat Tilburg een heel mooie Concertzaal kreeg. Mooi van ontwerp en een prachtige akoestiek.’ De oude baas knikte, alsof Mahler zo toch nog compensatie kreeg.
‘Zeker allemaal geld van de gemeente, dus van ons allemaal,’ probeerde hij Brokx nog even onderuit te halen.

Dat kon ik met verve tegenspreken en ik legde uit hoe de toenmalige burgemeester grote bedrijven in Tilburg onder druk zette om forse donaties ‘vrijwillig’ te betalen. Een bankdirecteur vergeleek zijn bezoek  met dat van een belastinginspecteur. En een columnist gaf hem in die tijd de bijnaam ‘Sheriff’.  

Dat sprak de man aan. ‘Jammer dat die Brokx niet meer leeft. Had die elk jaar met de pet rond kunnen gaan om de begroting rond te krijgen van zo’n concertzaal.  Is overal het zelfde. Wel een gebouw neer zetten en mee pronken, maar nooit aan denken dat die zaal elk jaar weer geld kost.’

Hij stak voorzichtig mee de weg over. De Gasthuisring. Die behoefde geen uitleg.
‘Er wordt wel veel gebouwd en gebroken hier achter dat station. Zeker nog van de bombardementen uit de oorlog,’raadde hij. Ik knikte maar, omdat ik de andere kant op moest.

Arnold Verplancke


donderdag 6 november 2014

Poppetgom

Zangeres zonder naam zingt Lucebert

De Zangeres zonder Naam in een experimentele theaterproductie met teksten van Lucebert en de eigentijdse componist Bruno Maderna!
Is dat echt gebeurd?
Ja 45 jaar geleden.

De Haagse theatergroep Studio Scarabee speelde in 1969 in het gelijknamige theatertje (achter het toenmalige dagblad Het Vaderland) de productie Poppetgom. Met teksten van Lucebert en muziek van Maderna.
De groep was ontstaan vanuit beeldende kunstenaars.
Tot verrassing van menig bezoeker kwam in de loop van de voorstelling de Zangeres zonder Naam zelf op, met haar bekende manke loopje. Ze zong krachtig het lied De Soldatenmoeder van Lucebert.
Dat lied hadden Maderna, Lucebert en zij overigens eerder gepresenteerd  bij Mies Bouwman op tv.
Een paar jaar later (1971) werd de complete theaterproductie Poppetgom uitgezonden op tv.

Nu is het geschiedenis.
“Er leven haast geen mensen meer die het kunnen navertellen”, zou Wim Kan zeggen.

In mijn archief zit nog het programmaboekje van Poppetgom, met op de omslag de tekening van Lucebert.



de soldatenmoeder
zij heeft haar zonen in de krijg verloren
zij haat de Roden nu die ziet ze overal
zij wonen in haar huis onder de vloeren
zij voelt hoe ze haar dagelijks beloeren
oh mensen, is dit niet een naar verhaal?

refrein:
   zij hebben haar haar hart geroofd
   haar lichaam leeg en ook haar hoofd
   zij slaapt met stenen in haar bed
   zij hebben haar haar hart geroofd
   haar lichaam leeg en ook haar hoofd
   zij slaapt met stenen in haar bed
   en als ze opstaat is ze als dood

de Roden komen binnen in brood verborgen
en in de nacht zij richten op haar knie een straal
zodat die rood en pijnlijk op gaat zwellen
terwijl haar buik, haar rug, haar hand vervellen
oh mensen, is dit niet een naar verhaal?

refrein

een prooi der Roden verliest zij alle zinnen
soldatenmoeder was zij nu een lichtekooi
als Amerikaanse moet zij nu wel haten
maar geeft zich toch aan de Vietcong-soldaten
oh mensen dit deden de Roden uit hanoi
refrein

De zinsnede 'stenen in haar bed' doet overigens denken aan het lied geschreven door Duke Ellington: Rocks in my Bed:

Rocks in My Bed


My heart is heavy as lead
Because the blues has done spread
Rocks in my bed
Of all the people I see
Why do they pick on poor me
And put rocks in my bed
All night long I weep
So how can I sleep
With rocks in my bed
There's only two kinds of people
I can't understand
There's only two kinds of people
I can't understand
That's a deceitful woman
And a hard faced man
She took my man away
And ain't goin' bring him back
She took my man away
And ain't goin' bring him back
She's lower than a snake down in a wagon track
I got rocks in my bed
I got rocks in my bed
Rocks in my bed
I got rocks in my bed
Under loved, over fed
My man's gone, so instead
I got rocks in my bed
Under loved, over fed
My man's gone, so instead
I got rocks in my bed


Songwriters
ELLINGTON



Arnold Verplancke

dinsdag 30 juli 2013

Impressies Iran (3)

 Oude dichters als popsterren


Stel je voor: een man die ervan droomt ooit nog het graf van Vondel te bezoeken, zijn held van wie hij elke avond gedichten leest. Of een jong bruidspaar dat het huwelijk laat voltrekken vlakbij de tombe van De Genestet en daar al die toevallige bezoekers van de oude dichter trakteert op kleine gebakjes. Ondenkbaar. In Nederland kennen we Vondel, Cats en De Genestet alleen nog van de straten die naar hen zijn genoemd.

In Iran niet. Dichters staan in hoog aanzien. Ze krijgen een mausoleum. Hun tombe trekt elke dag talloze bezoekers. Op de muren van hun grafmonument staan hun gedichten geschreven op mooie helderblauwe tegels. Rond zo’n mausoleum ligt een mooi park. Jongeren kunnen meerdere werken declameren van de grootste dichters.

Let wel: we hebben het over poëzie die veel ouder is dan de teksten van Vondel en Cats. In de tijd dat onze voorvaderen het nog moesten doen met het bijna onherkenbare ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi’ (veelal beschouwd als de eerste ‘Nederlandse’ zin), had in Perzië Ferdosie (940-1020) zijn oeuvre al compleet. In de eeuwen na hem kwamen Omar Khayyam (1047-1123), Sa’di (1207-1291) en Hafez (1325-1389) om enkele grote namen te noemen. Volgens onze Iraanse vrienden verschilt hun taal nauwelijks van de hedendaagse en zijn hun gedichten mede daardoor nog zeer toegankelijk.

Dichtbundels vormen mooie cadeaus. Als geschenk voor haar verjaardag krijgt Joke van een man die we op het feest voor het eerst ontmoeten, een leren cassette met daarin – ook in leer gebonden - een verzameling gedichten van Khayyam, prachtig met prenten geïllustreerd. Met de oorspronkelijke tekst in het Perzisch en vertalingen in Engels, Duits en Frans.

Als mensen horen dat we ook Shiraz gaan bezoeken, verzekeren ze ons dat we de graven van Hafez en Sa’di moeten aandoen. Een ondernemer van rond de vijftig vertelt dat hij elke avond vóór het slapen poëzie leest. Sa’di blijkt zijn favoriet, die slaat hij geen avond over.
 

Hafez rust in een imposant open mausoleum, dat echt een trekpleister vormt voor de binnenlandse toeristen. Ze raken eerbieding de stenen tombe aan, poseren op allerlei plekken met de tombe of het mausoleum op de achtergrond.


Een jong bruidspaar met familie loopt  gebakjes uit te delen. Alsof er een popster begraven ligt in plaats van een dichter uit de middeleeuwen. In bijna elk Iraans huis is wel een bundel van hem te vinden. De verleiding is te groot: ook van hem gaat een mooi geïllustreerd boek met Engelse vertaling mee naar Nederland.
 

Elders in Shiraz staat het graf van Sa’di, eveneens in een mausoleum, maar in zijn geval een meer gesloten bouwwerk, mooi met versregels gedecoreerd. Ook dat trekt voortdurend binnenlandse en enkele buitenlandse toeristen, gewapend met camera’s en mobieltjes en menig dichtbundel in de hand.
 

Om jaloers op te worden, die eeuwige band met de eigen cultuur. Die lijkt onverbrekelijk, want ook nu nog bekennen dertigers en veertigers zonder schroom en zelfs trots, dat ze zelf gedichten schrijven en ze voor elkaar op muziek zetten.